nieuws

Brievenbussen met een foutje

bouwbreed Premium

Op het einde van de twintigste eeuw is de brievenbus een klein, maar belangrijk onderdeel van ons huis. Het is een onmisbare schakel in ons contact met de buitenwereld. Het grootste gedeelte van wat dagelijks bij ons in de bus glijdt wordt bezorgd door de postbode. Het ligt daarom voor de hand dat de leiding van het PTT-bedrijf ten aanzien van de particuliere brievenbussen bepaalde wensen heeft, om een snelle en efficiente afwikkeling van de postbestellingen te ke blijven garanderen.

Sinds eeuwen reeds wordt er post bezorgd maar tot in de negentiende eeuw kwam daar geen woningbrievenbus bij te pas; de bode overhandigde de brieven aan de geadresseerde, omdat het de ontvanger was die het porto betaalde en niet de afzender. Ingevolge de postwet van 1850 kwamen in januari 1852 de eerste Nederlandse postzegels in gebruik. Voor 1850 was het ook al wel mogelijk geweest brieven franco te verzenden, maar kosteloze bestelling daarvan gebeurde alleen in plaatsen waar postkantoren gevestigd waren.

In alle andere plaatsen en op het platteland moest de geadresseerde voor een franco zending toch nog een ‘distributieloon’ betalen. Na afschaffing van dit bestelloon worden sinds 1866 voldoende gefrankeerde brieven en andere poststukken zonder verdere kosten door het gehele land op het juiste adres bezorgd. Voor de probleemloze aflevering van die post had van toen afaan iedereen belang bij een woningbrievenbus. Maar het heeft de PTT heel wat actie gekost om overheid en ingezetenen van dat belang te overtuigen.

Nog in 1928 was het tobben met de postbestelling, zoals blijkt uit een oproep in De Zaanlander van 19 november van dat jaar. “Wij herinneren eraan dat de directie der Posterijen een algemeen verzoek tot de bevolking gericht heeft, brievenbussen aan te brengen”, schrijft de redactie die dit zeer redelijk vindt immers: “Duizenden uren worden door de postboden noodeloos verloopen, omdat nog aan talrijke woningen de post ‘achterom’ gebracht moet worden. Wat beteekent: net zoolang kloppen dat er ‘volluk’ komt, want zij ke hun belangrijke stukken toch maar niet zo zonder meer in de keuken neerleggen?”. De lezers, die zich aangesproken voelden maar opzagen tegen de kosten van een brievenbus, raadde de redactie aan een gleuf in de deur aan te brengen.

Bij het vragen om toestemming aan de verhuurders zou door dezen daar ‘ongetwijfeld’ geen bezwaar tegen gemaakt worden. Ruim twee jaar later doen burgemeester en wethouders van Hellevoetsluis een poging het werk van de postbestellers in hun gemeente te verlichten. Naar aanleiding van een ontvangen schrijven van de directeur van het Post- en Telegraafkantoor aldaar nodigen zij in januari 1931 “de ingezetenen, aan welker huis nog geen brievenbus is bevestigd, in ’t belang van eene vluggere en regelmatiger bestelling, uit alsnog zoo spoedig mogelijk daartoe te willen overgaan”. Een tamelijk hoffelijk verzoek maar voor een oplossing van het gesignaleerde tekort was een verplichting, vastgelegd en omschreven in de gemeentelijke bouwverordening, zoals bijvoorbeeld in Horn in 1933, toch wel effectiever geweest.

Artikel 78 van de ‘Verordening op het bouwen en de bewoning voor de gemeente Horn’ luidde: “Elke woning moet, aan of nabij de hoofdtoegangsdeur, voorzien zijn van een gleuf tot het inwerpen van poststukken. Bedoelde gleuf moet afmetingen hebben van ten minste 20 bij 2 cm. Indien geen kastje of loket voor het opvangen der stukken wordt aangebracht, dient deze gleuf door een beweegbare plaat te zijn afgesloten”.

Over de inrichtingen, beantwoordend aan die voorschriften, zullen de plaatselijke bestellers jarenlang tevreden zijn geweest. Maar door de grote toename van de hoeveelheid af te leveren post en de samenstelling daarvan, en al evenzeer door de veranderde en zich nog steeds wijzigende situatie op woongebied, alsmede de stijgende personeelskosten, zag de leiding van de PTT zich op den duur gedwongen zowel in het belang van de geadresseerde als van de bezorger scherpere eisen te gaan stelllen aan plaatsing, afmeting en uitvoering van woningbrievenbussen. Over de normen dienaangaande (NEN 1770), opgesteld door het Nederlands Normalisatie-Instituut, werd in 1972 in de Tweede Kamer uitvoerig gedebatteerd. Sindsdien moet, om daar enkele punten uit naar voren te halen, de brievengleuf horizontaal worden aangebracht in een verticaal vlak en niet laag bij de grond maar, om de besteller het bukken te besparen, bij voorkeur op 1,10 m boven het bedieningsniveau.

Bij de brievengleuf moet de vrije inwerpopening minstens 265 mm lang en ruim 32 mm breed zijn. Die afmetingen zijn zodanig gekozen dat het inwerpen van poststukken van de meest voorkomende formaten mogelijk is en onbevoegden die door de inwerpopening niet ke wegnemen. Bij brievenbussen die niet aan deze minimum eisen voldoen bestaat het gevaar dat de af te leveren poststukken daar niet in passen en als onbestelbaar geretourneerd moeten worden.

Reageer op dit artikel