nieuws

Veranderende verhoudingen op de woningmarkt

bouwbreed Premium

Het aantal gereedgekomen woningen was in 1993 rond 14% lager dan in 1990. Naar opdrachtgever gezien, vond de grootste daling plaats in de sector beleggers, maar ook de sociale huur moest een flinke veer laten. Per provincie blijkt sprake te zijn van sterk uiteenlopende accenten.

Het was in 1990 voor het eerst sinds een aantal jaren, dat het aantal gereedgekomen woningen beneden de honderdduizend daalde. Op 1985 na, bedroeg dat aantal gedurende de jaren tachtig gedurig meer dan 110000. De verhoudingen binnen het pakket zijn aan voortdurende veranderingen onderhevig. Het aantal woningen dat in opdracht van rijk of gemeenten wordt gebouwd beloopt al jaren niet meer dan enkele duizenden, het is de afgelopen vier jaar met 12% afgenomen. Gedurende de jaren negentig bedroeg het aandeel van deze woningen niet meer dan 3% van het totaal.

Het aantal corporatiewoningen is sterker gedaald (f. 24%) dan het gemiddelde (14%), zodat ook het aandeel in het totaal aantal woningen is gekrompen. In 1990 was dat nog 30%, maar daarna is het gedaald tot zo’n 26% in 1993. Het aantal beleggerswoningen vertoonde met 39% echter de grootste afname sinds 1990. Het aandeel van deze woningen, dat in de eerste paar jaar van dit decennium nog rond 6% bedroeg, is daardoor afgenomen tot 4%.

Niet voor niets was Heerma zeer tevreden met de gang van zaken: het aandeel van de bouw voor de markt is gedurende deze jaren voortdurend gestegen. Het aandeel van de bouwers voor de markt steeg van 46% in 1990 tot 48% in 1993; dat van de overige particuliere opdrachtgevers van 16% tot 19% (vgl tabel 1). Naar aantal gereedgekomen woningen was tgenoemde sector overigens de enige die enigszins op het peil van 1990 bleef. Het aantal woningen van bouwers voor de markt zakte met tien procent in deze vier jaar.

De verdeling van al deze woningen over de provincies liep zoals gebruikelijk ook in 1993 nogal uiteen. In tabel 2 zijn de cijfers verzameld van de gereedgekomen woningen per provincie naar financieringscategorie. Het is vooral interessant om de onderlinge verhoudingen te bekijken in de provinciale pakketten. Iedereen weet wel, dat in Zuid-Holland doorgaans de meeste woningen f. ook relatieff. worden gebouwd, het is dan ook aardiger om te zien waar in die provincie de accenten liggen in vergelijking met de andere provincies. In de tabel zijn de relatieve extremen met een (+) resp. een (f. ) aangegeven.

Het aantal sociale huurwoningen bedroeg in 1993 27% van het totaal; in Zuid-Holland was dat echter maar liefst 39%, bijna eenderde van alle woningen. Ook Noord-Holland kwam met 31% erg hoog uit in deze sector. In de overige provincies bleef het cijfer beneden de dertig, vijfmaal zelfs beneden de twintig.

Het aandeel van de beleggerswoningen in het provincietotaal was alleen in Flevoland (6%), Utrecht (7%) en Noord-Holland (9%) tamelijk hoog, overal elders schommelde het rond 3%. Meer dan een derde van alle beleggerswoningen werd in Noord-Holland gebouwd. De premiekoop A maakte 12% uit van het landelijk pakket. Eenderde ervan kwam in N- en Zuid-Holland terecht. Ook N-Brabant realiseerde veel woningen in deze categorie: 19% van de premie A, dat was 15% van alle Brabantse woningen. Flevoland en Noord-Holland bouwden eveneens meer dan gemiddeld in deze sector.

In Flevoland was het aandeel van deze sector in het totaal zelfs het grootste van alle provincies. In Drenthe, Zuid-Holland en Zeeland waren het er in verhouding duidelijk minder. Van de premie C kwam meer dan de helft in de beide Hollanden terecht. Het aandeel in het provincietotaal was echter vooral hoog in Flevoland. Van het landelijk totaal aan vrije sector woningen werd bijna 60% gebouwd in vier provincies: Gelderland, de Hollanden en Brabant. Het grootste aandeel in het provincietotaal werd in deze sector echter bereikt in Zeeland (77%) en Drenthe (72%). Ook Friesland en Overijssel scoorden met rond 65% tamelijk hoog. Noord-Holland was in deze sector onder invloed van Amsterdam relatief hekkesluiter met 33%. Hoewel Zuid-Holland twee van de vier grote steden binnen haar grenzen heeft, bedroeg het aandeel van de vrije sector in deze provincie toch nog 41%. Utrecht kwam op gelijke voet met Flevoland tot een percentage van 45.

De relatieve verschillen tussen de provincies waren in 1993 tamelijk groot, maar toch ook niet ongebruikelijk. Het lijkt er op, dat de samenstelling van de woningvoorraden in de provincies daarom geleidelijk steeds meer uit elkaar groeit.

Reageer op dit artikel