nieuws

Jarige Brandaris blijft rots in de branding

bouwbreed Premium

De Brandaris. Met kop en schouders torent de ruim vijftig meter hoge wachter uit boven dorpen, bossen en duinen van Terschelling. In het daglicht springt zijn plompe, sobere vorm in het oog en zodra het donker is markeren zijn breed zwaaiende lichtbundels het Waddeneiland.

De Brandaris, de oudste vuurtoren van Nederland die nog in werking is, heeft anno 1994 een centrale rol bij het regelen van de scheepvaart op Noordzee en Waddenzee.

Voor Terschelling betekent de Brandaris evenveel als de Eifeltoren voor Parijs. Het 400-jarig bestaan van de vuurtoren wordt daarom dit jaar uitgebreid gevierd. Al in de veertiende eeuw was er sprake van een herkenningspunt voor de scheepvaart op Terschelling. De vloot van Kampen had daar grote behoefte aan, omdat het eiland langs haar route lag. In 1323 sloot de IJsselstad met Terschelling een overeenkomst over de bouw van “een voerhuijs oft eijn mercke”. Of die markering er ooit kwam, weten de historici niet.

Wel staat vast dat de toren van de Brandariuskerk enkele eeuwen dienst deed als baken. ’s Nachts brandde op de toren een vuur. Het godshuis kreeg het door de oprukkende zee steeds zwaarder te verduren. Op een gegeven moment raakte het zo ernstig ondergraven dat het schip van de kerk in de golven verdween. De toren ging later kopje onder.

Drama

Kort nadat de toren in 1593 zijn evenwicht had verloren, begon Pieter Albertz Vlock uit Medemblik op een veiligere plek met de bouw van een vuurtoren. Dat werd een groot drama. Want het bouwwerk zakte al tijdens de bouw in elkaar. Het gebruik van te zachte stenen was de oorzaak. Zes arbeiders vonden de dood. De aannemer herbouwde de toren met sterkere materialen en onder strenger toezicht.

In het najaar van 1594 voltooide hij het karwei. “Tot waarschouwinge aller seevarende die God behoede”, zette men op de gevel. Lange tijd lukte het niet van de Brandaris een echte vuurtoren te maken; een lantaarn gaf te zwak licht om het eiland bij donker te markeren en het stoken van vuur was uit den boze, omdat de toren was voorzien was van een houten overkapping. Zodra de duisternis inviel, ontstak men een kolenvuur op een platform in de duinen. De Brandaris deed ook dienst als kerktoren en gevangenis. In tegenstelling tot vele andere bouwwerken op Terschelling overleefde de toren in 1666 de bestorming door de Engelsen.

De Brandaris werd in 1835 een kustlichttoren, uitgerust met een grote olielamp. Daaromheen cirkelde een lenzenstelsel dat acht lichtbundels vormde. Dit alles draaide op rollen met een zestig kilo zwaar gewicht dat een uurwerk aandreef. Eens in de acht minuten maakte het een omwenteling. In 1864 voorzag men de toren van een vast licht met een grotere olielamp en in 1907 werd de Brandaris de eerste vuurtoren van Nederland met elektrisch licht.

In de loop van deze eeuw onderging de techniek diverse vernieuwingen. Philips ontwikkelde zelfs speciale gloeilampen voor de Brandaris. Eind jaren zeventig werd de verlichting geautomatiseerd en van kwiklampen voorzien. De toren geeft vier lichtbundels die in twintig seconden ronddraaien. Onder gunstige weersomstandigheden valt het licht tot op veertig kilometer waar te nemen. Bij weerkaatsing tegen de wolken is die afstand nog veel groter.

Dienen

“Ik heb de Brandaris van 1939 tot 1952 mogen dienen”, zegt oud-vuurtorenwachter Arie Starrenburg (86). In zijn stem klinkt diep respect voor de wachter door. “Of ik wel eens wat bijzonders heb meegemaakt? Wat dacht je van de oorlog! We moesten van de Duitsers het licht van de toren gedeeltelijk afschermen om de Duitse convooien voor de Engelse ongemerkt te laten passeren. Natuurlijk hadden die het wel in de gaten. De Duitse schepen werden dan ook geregeld gebombardeerd. Er vielen vele doden.”

Slapen in de toren

Werkweken van 56 uur waren heel gewoon voor de vuurtorenwachters. “Tussen de diensten door mochten we niet naar huis; we moesten in de toren slapen”, vertelt Meindert Schroor, van 1945 tot 1981 werkzaam op de Brandaris. “Ik werkte in de nacht dat Nederland in 1953 door de watersnoodramp werd getroffen. De zee was zo wild dat de lichtboeien op drift raakten en hier de haven binnendreven. Ik maakte ook geregeld mee dat er schepen op mijnen uit de oorlog terecht kwamen. Dat was natuurlijk ernstig.”

Schroor heeft ook de tijd nog meegemaakt dat hij met behulp van vlaggen en lichten met de schepen communiceerde. “En toen er nog geen lift was, moesten we steeds met de trap. Dat waren 225 treden. De medewerkers van de Brandaris worden anno 1994 geen vuurtorenwachter meer genoemd. “Wij zijn zeeverkeersbegeleiders in dienst van Rijkswaterstaat, die het scheepvaartverkeer op de Noordzee en de Waddenzee in goede banen proberen te leiden. De Brandaris zit boordevol elektronica om die functie te ke waarmaken”, vertelt G. Drijver, terwijl op de achtergrond een collega op een scherm peilt waar zich schepen bevinden. Ook onderhoudt hij radiocontact met vaartuigen. Grote vrachtschepen zijn vanaf medio 1992 verplicht zich bij de Brandaris te melden als ze in een bepaald deel van de Waddenzee varen. Ze moeten ook de aard van de lading doorgeven. Drijver: “Wij begeleiden die vaartuigen en in geval van calamiteiten ke we reddingsdiensten volledig informeren. Dat kan veel narigheid voorkomen.” Hij voorziet dat het gebied waarvoor begeleiding door de Brandaris verplicht is, wordt uitgebreid.

“Want het wordt steeds drukker op de Waddenzee en de Noordzee. Daardoor neemt het gevaar van milieurampen toe.” Onervarenheid van de recreatievaart bezorgt Drijver en zijn collega’s het nodige werk. “Bemanningen van jachten onderschatten het varen op het Waddenzee nogal eens. Ze laten zich bijvoorbeeld niet goed informeren over de situaties op de vaarroutes. Of men vaart uit, vlak nadat de storm is gaan liggen. De golfslag kan dan nog gevaarlijk zijn.” Niet zelden raken opvarenden van een jacht met problemen in paniek. “Maar zodra ze onze stem via de radio horen, is de meeste angst voorbij. We localiseren de onheilsplek en regelen hulp.”

Als Centraal Meldpunt Waddenzee krijgt de Brandaris ook meldingen binnen over bijvoorbeeld zeehonden in nood, olielozingen door schepen, defecte vaarwegmarkeringen en verstoring van natuurgebieden. Drijver: “Ook dan alarmeren wij diensten en begeleiden wij ze zo nodig naar de gemelde plaats.” De Brandaris doet nog veel meer. “We maken weerrapporten voor het KNMI, geven via de marifoon waterstanden en golfslag door en regelen loodsen. Ook helpen we bij ongevallen op het eiland. Er kan veel tegelijk gebeuren. Je moet in dit vak onder grote druk ke werken.”

Ruud Klumpers

Meidert Schroor kijkt nog eens door een kijker bovenin de 400 jaar oude Brandaris.

De ruim vijftig meter hoge Brandaris op Terschelling.

Schroor, die van ’45 tot ’81 werkzaam was op de vuurtoren, poseert trots voor zijn ‘oude werkgever’.

Reageer op dit artikel