nieuws

Klakkeloze uitvoering

bouwbreed Premium

Bij het voldoen aan zijn verplichtingen uit een aannemingsovereenkomst kan een aannemer niet volstaan met het zich letterlijk houden aan datgene wat aan werkzaamheden in die overeenkomst is omschreven. Een behoorlijke uitvoering van die overeenkomst brengt namelijk met zich mee dat geen opgedragen werkzaamheden worden verricht, waarvan de aannemer weet, dat zij niet tot het door de opdrachtgever gewenste resultaat zullen leiden.

Anders dan opdrachten, die op grond van de meeste andere overeenkomsten worden gegeven (denk aan de arbeidsovereenkomst en de opdrachten aan artsen en advocaten) vloeit uit de aannemingsovereenkomst de verplichting voort om een bepaald resultaat tot stand te brengen. Toch is dat niet het wezenlijke verschil tussen de overeenkomst van opdracht en de aannemingsovereenkomst. Beslissend voor die laatste is, dat zij moet verplichten tot het vervaardigen of bewerken van een stoffelijk voorwerp. Niet alleen bouwwerken worden dus “aangenomen”, maar ook de maatkleermaker is in ons recht een “aannemer”.

Als het met de overeenkomst beoogde resultaat en de verplichting om dat te bereiken het criterium zouden zijn voor de aannemingsovereenkomst, zou u ook door het kopen van een trein- of buskaartje een aannemingsovereenkomst sluiten want de vervoerder is dan immers verplicht het door u beoogde resultaat tot stand te brengen: u te brengen naar de plaats, die u bij het kopen van het kaartje hebt aangegeven.

Om ons tot de aannemingsovereenkomst te beperken: is de aannemer er mee klaar als hij het bestek precies heeft gevolgd en de hem gegeven opdracht daarmee heeft vervuld? Je zou het op het eerste gezicht wel denken, want de aannemer heeft toch precies gedaan wat de opdrachtgever zei wat hij moest doen. En als het resultaat niet overeenkomt met de bedoelingen van die opdrachtgever dan is die toch zelf verantwoordelijk voor het verkeerd omschrijven van de werkzaamheden?

Toch is dat niet zo. Dat blijkt duidelijk uit de uitspraak van de Amsterdamse president, die in hoger beroep bevestigd werd door het hoofdstedelijke Gerechtshof. Wat was het geval?

In maart 1991 kreeg een onderaannemer opdracht een door de hoofdaannemer gelegde betonvloer af te werken door er een slijtvaste en stofvrije vloer op aan te brengen.

De onderaannemer, die de betonvloer eens ging bekijken, constateerde dat

die ongeschikt was om er de gewenste bovenlaag op aan te brengen.

Maar hij dacht waarschijnlijk: ik doe maar wat de man wil, want als ik mij niet aan zijn opdracht houd, loop ik het risico om aangesproken te worden wegens wanprestatie.

Maar hij vergiste zich! Juist het uitvoeren van een opdracht waarvan je weet dat die in ieder geval het gewenste resultaat niet tot gevolg zal hebben levert wanprestatie op. Zeker als je geen enkel voorbehoud het gemaakt voordat je de overeenkomst ging uitvoeren en de opdrachtgever dus het risico van een onvoldoende resultaat op zich heeft genomen.

Dat zei het Amsterdamse Hof in zijn constatering dat de onderaannemer inderdaad wanprestatie had gepleegd nu ook na de oplevering was gebleken, dat de vloer niet aan de gestelde eisen -slijtvast en stofvrij – voldeed.

In het kort geding voor de President had de onderaannemer wel beweerd, dat hij de hoofdaannemer gewezen had op de risico’s van de door hem gekozen afwerkingsmethode, maar of hij dat nu niet had ke bewijzen dan wel dat hij dit niet nog een keer durfde te zeggen, weten we niet. Feit is, dat hij er bij het Hof niet nog eens mee aankwam. Dat hield het er dus maar voor, dat er helemaal niet was gewaarschuwd. Maar zelfs als dat wel was gebeurd, zou hem dat waarschijnlijk nog niet geholpen hebben, omdat vaststond, dat hij zeker wist dat het beoogde resultaat met de opdracht niet kon worden bereikt.

Terecht had de President hem daarom veroordeeld alsnog een slijtvaste en stofvrije bovenlaag op de cementvloer aan te brengen de door de hoofdaannemer geleden schade te vergoeden. Mocht het voor onze onderaannemer niet meer mogelijk zijn de gewenste monolietlaag aan te brengen dan zou hij -als de opdrachtgever daarmee tenminste akkoord ging- een slijtvaste en stofvrije bovenlaag van een ander materiaal mogen aanbrengen.

Maar als hij daarvoor meer kosten moest maken zouden die voor zijn rekening komen.

Opvallend in deze uitspraak is, dat het Hof weliswaar niet met zoveel woorden zegt, dat de onderaannemer die zeker weet dat het met de opdracht beoogde resultaat niet kan worden bereikt, ook aansprakelijk is als hij de opdrachtgever daarvoor waarschuwt, maar daartoe toch geneigd blijkt te zijn. Het beantwoordt die vraag niet, maar zegt wel “daargelaten de vraag of met een dergelijke waarschuwing had ke worden volstaan”. Dat wijst toch wel op een oordeel, dat ook in zo’n geval de onderaannemer aansprakelijk kan zijn voor de ontstane schade.

Dat zou verder gaan dan de jurisprudentie tot nog toe over de waarschuwingsplicht van de aannemer voor onjuistheden in de opdracht, die hem redelijkerwijze hadden moeten opvallen.

Betekent deze uitspraak nu, dat zelfs als de opdrachtgever vasthoudt aan de door hem gegeven opdracht nadat zijn aannemer hem duidelijk heeft gewaarschuwd, de aannemer daaraan geen gevolg mag geven? Dat hoop ik toch niet.

(BR 1994 p. 147)

Reageer op dit artikel