nieuws

BSB-stichtingen vergroten promotie voor activiteiten

bouwbreed Premium

De BSB-stuurgroep rapporteert voor 1 mei aan minister Alders over de voortgang inzake de sanering van in gebruik zijnde bedrijfsterreinen.

Dat gebeurt aan de hand van de opgaven die de provinciale BSB-stichtingen doen. Daarvan bestaan er momenteel elf. De BSB-stichting Limburg komt naar verwacht in juni in bedrijf. De stichtingen willen met een verhoogde promotie een grotere bekendheid geven aan hun activiteiten.

De opzet van de afzonderlijke BSB-stichtingen verschilt. In het geval van Flevoland, Noord- en Midden Zeeland en Zeeuws-Vlaanderen berust de uitvoering bij vertegenwoordigers van de Kamers van Koophandel. Per stichting houden zo’n drie tot vier mensen zich bezig met de gang van zaken. Tot op heden ging dat om de controle van het basisbestand dat het bureau Tauw in 1987 opstelde. Deze basislijst telt 200000 bedrijven. Van dit totaal valt zo’n 40 procent af. Voor de rest volgt een inventariserend onderzoek (INVO). Het ligt in de bedoeling in de eerste vijf jaar 30000 van deze onderzoeken af te ronden.

Vertraging

In 1992 constateerde de stuurgroep een feitelijke vertraging van een jaar voor de BSB-operatie. Die ontstond mede door vertraging in de politieke besluitvorming en door moeilijkheden in de organisatie. Naar verwacht schuift de operatie een jaar op waarbij de eerste vijfjaarsperiode de tijd tussen 1993 en 1997 beslaat. Als gevolg van deze verschuiving lijkt het de stuurgroep zinvol de evaluaties van de operatie ook een jaar op te schuiven naar eind 1994 respectievelijk eind 1996. Dit voorkomt dat de evaluaties een te korte tijd beslaan waardoor een onvolledig beeld kan ontstaan.

De stichtingen willen hun bekendheid bij ondernemers en bedrijfstakorganisaties vergroten om de activiteiten bij een grotere groep onder de aandacht te brengen. Een deel van die bekendheid kwam door middel van aanschrijvingen tot stand. Ontvangers waren bedrijven die op de urgentielijst voorkomen of die mettertijd voor hoge saneringskosten komen te staan. Andere ondernemingen benaderen zelf de BSB-stichtingen om een zogeheten deelnemersovereenkomst te sluiten. In het geval van Noord Brabant bezocht de BSB alle gemeenten om de plaatselijke besturen op de hoogte te stellen van de activiteiten.

Inhaaloperatie

De gemeenten staan inmiddels voor een inhaaloperatie voor de Wet milieubeheer-vergunningen. Een zogeheten nul situatie-onderzoek moet aantonen of en hoeveel vervuiling er in de bodem zit. Die gegevens worden later wanneer het desbetreffende bedrijf de locatie verlaat met de onderzoekswaarden van dat moment. De gemeenten eisen hiervoor over het algemeen een onderzoek volgens NVN 5740. Het onderzoek dat de BSB nastreeft, komt in grote lijnen overeen met het nul situatie-onderzoek. De keuze valt daarmee op een combinatie-onderzoek waarin beide belangen aan bod komen. Dit onderzoek is iets uitgebreider en iets duurder dan wat de BSB aanhoudt maar levert wel meer kennis op.

Bij onderzoek volgens NVN 5740 kan de opdrachtgever zelf kiezen wat aan de orde moet komen. De VNG stelde de gemeenten door middel van een circulaire op de hoogte van deze mogelijkheid. Niet alle gemeenten hebben echter een duidelijk beeld van wat dit onderzoek inhoudt terwijl niet iedereen in het gemeentelijke apparaat het bijbehorende protocol kent. Het NNI is nu gevraagd de procedures mee te nemen, te evalueren en te bezien op welke manier dat onderzoek kan worden toegepast.

Begeleiding

Tot op heden zijn relatief veel deelnemersovereenkomsten gesloten. Toch wachten volgens de stuurgroep nogal wat bedrijven op hetgeen de wetgever zal voorschrijven. Ondernemingen die wel meedoen krijgen te horen wat hen tot aan het nader onderzoek te wachten staat. Sommige BSB-stichtingen beperken hun begeleiding tot aan de stoep van het provinciehuis terwijl anderen ook met de bedrijven mee naar binnen gaan. Het uiteindelijke doel van deze activiteiten is sanering van de grond. De bijbehorende wet is echter nog niet van kracht. Daardoor bestaat er nog geen duidelijkheid over de saneringsdoelstellingen. Bedrijven die onder de hoogste urgentieklasse vallen moeten binnen een jaar of binnen hooguit vijf jaar saneren. Voor bedrijven met de laagste urgentie ke de werken zo’n twintig jaar op zich laten wachten.

De afweging of er daadwerkelijk wordt gesaneerd zal in niet onbelangrijke mate samenhangen met de beschikbare financien. Bij saneringen gaat het doorgaans om forse bedragen. Eerdere becijferingen toonden aan dat het bij het huidige investeringsniveau en bij de huidige ramingen over de kosten ruim 150 jaar zal duren voordat alle werken zijn uitgevoerd. Saneren volgens de BSB wordt door de bedrijven zelf betaald. De stichtingen geven de ondernemers voorlichting over de financieringsregels en de fiscale regelingen. Bepaalde bedrijfstakken die de kosten niet ke betalen ke vanaf 1996 aanspraak maken op een bijdrage in de niet-financierbare kosten. VROM werkt het kostenverhaal verder uit. De overheid zal in deze echter niet al teveel ke afwijken van wat men zichzelf oplegt.

Keurmerken

De commissie BSB beschikt over een lijst van bureaus die onderzoeken ke uitvoeren maar zal geen keurmerken uitdelen. In beginsel kan de BSB niet beoordelen of de desbetreffende rapporten onvoldoende van kwaliteit zijn omdat de stichtingen de rapporten niet zien als gevolg van de vertrouwelijkheid van de gegevens. Het desbetreffende bedrijf vult alleen een lijst in. Alleen bij afwijkende gegevens kan de BSB besluiten gegevens nader te bestuderen. De stuurgroep zegt ook vanuit het buitenland interesse te krijgen voor de activiteiten. Buiten de grens blijkt ook een grote belangstelling te bestaan voor de Nederlandse wijze van bodemsanering.

Reageer op dit artikel