nieuws

A’dam houdt vast aan bouw van 1000 huizen per jaar in centrum

bouwbreed Premium

De bouw van jaarlijks duizend woningen in de Amsterdamse binnenstad is alleen te realiseren als de gemeente een actief stadsvernieuwingsbeleid blijft voeren. Zet de gemeente dit beleid op een lager pitje dan is jaarlijks slechts de bouw van 300 woningen door particulieren haalbaar.

Dit stelt de Werkgroep Woningproduktie Binnenstad (WWB) in de nota ‘Woningproduktie binnenstad 1994-2000’. De nota loopt vooruit op een nog dit jaar te houden onderzoek naar de woningvoorraad in de hoofdstad. In dit onderzoek zal onder andere aandacht worden besteed aan de kwaliteit van de voorraad en aan de prijsontwikkeling in zowel de huur- als de koopsector. Tevens moet dan blijken in hoeverre de goedkope voorraad bij de traditionele doelgroepen van het volkshuisvestingsbeleid terecht komt. Op basis daarvan wil het Amsterdamse college een voorraadbeleid voor de binnenstad formuleren.

Voor wat betreft de nieuwbouwproduktie in de Amsterdamse binnenstad streeft het college naar aanleiding van de notitie, naar de bouw van rond de duizend woningen per jaar. In de afgelopen jaren schommelde het niveau van de produktie tussen de 1000 en 1500 woningen.

Volgens de opstellers van de nota is dit hoge aantal vooral toe te schrijven aan het feit dat er een actief stadsvernieuwingsbeleid is gevoerd. “Zonder bijzondere gemeentelijke inspanning worden in de binnenstad slechts 300 woningen per jaar door particulieren gerealiseerd”, aldus de werkgroep in de notitie.

Stadsvernieuwingsbeleid

Het is volgens de werkgroep daarom zaak dat, wil het streven naar een jaarlijkse bouwproduktie van duizend woningen worden gehaald, de gemeente een actief stadsvernieuwingsbeleid voortzet.

Dit beleid moet zich ook richten op andere financieringscategorieen. In de praktijk betekent dit dan vooral het garanderen van grondproduktie. Verder wordt om de continuiteit in de produktie zeker te stellen, een bouwplanbegeleiding van alle financieringscategorieen voorgesteld. Ook moet in de ogen van de werkgroep een systeem van verevening van mee- en tegenvallers in het leven worden geroepen. Het voornemen van het Amsterdamse college om de bouwtaak voor de binnenstad, conform de nota, definitief op duizend woningen te zetten is op het nodige verzet van de bevolking gestuit.

Men vroeg zich af waarom het nodig is om in zo’n dichtbebouwd deel van de stad zoveel woningen bij te bouwen. Zeker gezien het feit dat er toch al zo weinig groen is. Tevens zal de nieuwbouw de stedebouwkundige structuur en de historische kwaliteit van de binnenstad aantasten.

Streefcijfer

Dit protest heeft er toe geleid dat in het uiteindelijke raadsvoorstel het nieuwbouwaantal weliswaar op duizend woningen is gesteld maar dat dit aantal meer als streefcijfer moet worden gezien. “Wel wordt”, zo schrijft het Amsterdamse college in het raadsvoorstel, “duidelijk aangegeven dat de gemeente verantwoordelijk is voor de woningproduktie en vanuit die verantwoordelijkheid streeft naar een woningbouwprogramma van duizend woningen per jaar.”

Overigens zal het halen van dit programma voor wat betreft loc niet op al te grote problemen stuiten. In de notitie geeft de werkgroep al aan mogelijkheden te zien voor de bouw van in totaal ruim 8650 woningen in de periode 1994-2000 in de binnenstad.

Dit aantal is opgebouwd uit 4350 woningen opgenomen in het meerjarig planaanbod van de pogroepen, 3000 woningen op resterende locaties, 600 woningen te realiseren boven bedrijven, 250 woningen als gevolg van functiewijziging van leegkomende kantoren, 200 woningen door de verbouw van HAT-eenheden en 250 woningen door diverse vervolgingrepen.

Marktsector

Bij het realiseren van deze woningproduktie wordt uitgegaan van minimaal zeventig procent in de vrije en premiesector en maximaal dertig procent in de sociale huur- en koopsector.

Voor wat betreft de woningen die in de marktsector moeten worden gerealiseerd, spreekt de werkgroep zich positief uit. “Uit recente locatieonderzoeken blijkt dat een groot deel van de poen in de binnenstad bijzonder gunstig scoren en het moet mogelijk zijn jaarlijks 600 tot 700 woningen in de marktsector af te zetten”.

Voor de koopkrachtige vraag geldt dat voor de duurdere woningen boven de f. 350000 slechts een beperkte markt aanwezig is. Voor koopwoningen beneden de f. 225000, zo wordt geconcludeerd, zijn geen problemen te verwachten.

Reageer op dit artikel