nieuws

Werving onder oude klanten

bouwbreed Premium

Werkgevers hebben er alle belang bij, dat de werknemers die bij hen weggaan, bij hun concurrenten geen gebruik maken van de wetenschap die zij bij hen hebben opgedaan. Om dat tegen te gaan neemt een werkgever vaak in de arbeidsovereenkomst met zijn werknemer een concurrentiebeding op. Daardoor wordt die laatste beperkt in zijn vrijheid van werken na het einde van zijn dienstbetrekking bij hem.

Maar ook zonder zo’n concurrentiebeding moet de werknemer zich gedurende een bepaalde tijd onthouden van concurrentievervalsende activiteiten, zoals bijvoorbeeld werving onder de klantenkring van zijn voormalige werkgever. Ook mag hij dan geen gebruik maken van de specifieke kennis die hij in zijn vorige dienstverband heeft opgedaan als hij in contact komt met een klant van zijn vroegere baas.

Dat is de strekking van de uitspraak in het kort geding voor de Utrechtse rechtbank-president, dat een kabelbedrijf had aangespannen tegen zijn concurrent, die gebruik maakte van de kennis van twee topfunctionarissen, die hij van hem had overgenomen.

Een van die twee had met de holding-maatschappij van het bedrijf waar hij eerst in dienst was een overeenkomst gesloten waarin een non-concurrentie bepaling was opgenomen. Daardoor werd hem verboden binnen drie jaren, nadat de dienstbetrekking met het bedrijf beeindigd was, binnen een straal van 50 km dezelfde zaken te drijven of daarbij rechtstreeks of zijdelings betrokken te zijn. Voor de ander gold echter geen concurrentiebeding.

Het eisende kabelbedrijf verrichtte sinds medio 1991 renovatiewerkzaamheden aan het C.A.I.-net in Hendrik-Ido-Ambacht. Dat gebeurde volgens het zogenaamde een-een-verkeer, wat wil zeggen dat de Stichting C.A.I. geen andere aannemers uitnodigde voor de renovatie.

Sinds de herfst van 1992 trof het bedrijf voorbereidingen voor de renovatie in de vierde wijk van deze plaats, nadat die in de andere drie al door haar waren uitgevoerd. In de zomer van 1993 werd een offerte gedaan voor de vierde renovatie in H.I. Ambacht, waarbij de werkzaamheden werden begroot op f. 400000. Kort tevoren had de C.A.I. echter van een concurrent een prijsaanbieding gekregen, die ongeveer f. 100000 lager lag.

Dat kon niet anders gebeurd zijn dan met gebruikmaking van vertrouwelijke informatie, die een of beide ex-werknemers van het eisende bedrijf hadden verkregen. De een, die adjunct-directeur bij eiser was geweest, pleegde daarmee een onrechtmatige daad jegens zijn vroegere werkgever en ook zijn nieuwe baas deed dat, omdat die van het onrechtmatig handelen profiteerde.

Omdat de Stichting C.A.I. op korte termijn zou beslissen met welke aannemer zij in zee zou gaan had het eisende bedrijf een spoedeisend belang bij zijn vordering, die inhield dat zijn concurrent zijn aanbieding zou intrekken en zich een jaar zou onthouden van actieve werving onder de klanten van eiser.

Hoewel het concurrerende kabelbedrijf ontkende, dat het actief onder het klantenbestand van de ander had geworven, vond de President het hoogst waarschijnlijk dat de nieuwe adjunct-directeur in strijd had gehandeld met de zorgvuldigheidsnorm, die hij tegenover zijn vroegere werkgever diende te betrachten. Weliswaar was hij niet door een concurrentiebeding in zijn nieuwe activiteiten beperkt, maar ook in zo’n geval dient een ex-werknemer zich gedurende een zekere tijd te onthouden van actieve werving onder de klantenkring van zijn oud-werkgever en in het contact met een klant van zijn voormalige baas geen gebruik te maken van de specifieke kennis die hij ten aanzien van die klant heeft opgedaan.

Het gedaagde bedrijf moest tegenover de rechter erkennen, dat zijn nieuwe adjunct betrokken was geweest bij zijn lagere prijsaanbieding. Die was begin juni 1993 gedaan en toen was de nieuwe man nog maar net weg bij eiser, waar hij zeer gedetailleerde kennis had gekregen van het renovatie-po in de vierde wijk van H.I. Ambacht. Het was daarom zeer waarschijnlijk, dat hij in zijn nieuwe betrekking de in acht te nemen zorgvuldigheidsnorm had geschonden en daarmee onrechtmatig had gehandeld tegenover zijn vroegere werkgever.

Maar de eis was gericht tegen de nieuwe werkgever van de zondaar. Had die nu ook onrechtmatig gehandeld door te profiteren van andermans wanprestatie? Dat is alleen het geval, zei de Utrechtse President als zich bijzondere omstandigheden voordoen.

Die waren hier wel degelijk aanwezig, want de andere man, die eerst directeur was bij de moedermaatschappij van het eisende bedrijf en nu directeur van het concurrerende bedrijf, moest erkennen, dat hij door het bestuur van de Stichting C.A.I. was uitgenodigd om een offerte te laten uitbrengen. De President ging er van uit dat hij niet in het gesprek met dat bestuur daarheen geleid had dat hij die uitnodiging kreeg.

Zeker nu hij wist dat de dochtermaatschappij van zijn vroegere werkgever belangstelling had voor het po had hij de uitnodiging voor een offerte naar die dochter moeten doorspelen. Door dat niet te doen had ook hij onzorgvuldig gehandeld temeer nu voor hem een concurrentie-beding gold.

Het zal geen verbazing wekken, dat de eis tot intrekking van de aanbieding werd toegewezen. Die tot het zich gedurende een jaar onthouden van actieve werving onder de klanten van eiser niet helemaal: de nieuwe werkgever van de twee heren werd veroordeeld om zich gedurende zes maanden te onthouden van actieve werving onder de klanten van het eisende bedrijf en wel onder verbeurte van een dwangsom van f. 50000 voor iedere dag dat dit niet zou gebeuren.

(BR 1993 p. 753)

Reageer op dit artikel