nieuws

Schade

bouwbreed Premium

De schade die men lijdt als gevolg van de wanprestatie van zijn wederpartij of door de onrechtmatige daad van wie dan ook, kan niet alleen bestaan uit vermogensschade, maar ook uit onstoffelijke schade. Ook die komt in beginsel voor vergoeding in aanmerking, maar pas in het Nieuw Burgelijk Wetboek is dat met zoveel woorden tot uitdrukking gebracht.

In de bouwrechtspraak komt de toekenning van wat in de wandeling vaak ‘smartegeld’ wordt genoemd, maar zelden voor. Misschien gaat dat in de toekomst wat vaker plaatsvinden nu de wetgever uitdrukkelijk heeft bepaald, dat de benadeelde recht heeft op een naar billijkheid vast te stellen vergoeding van het nadeel, dat niet in vermogensschade bestaat. Dat recht bestaat echter alleen als aan een aantal, met name in de wet genoemde voorwaarden wordt voldaan. De enige arbitrale uitspraak, waarin een vergoeding voor immateriele (onstoffelijke) schade werd toegekend, was die van het Arbitrage Instituut Bouwkunst uit 1985. Daarin werd aan een architect wiens geplagieerde ontwerp al zover was uitgevoerd, dat een verbod tot realisering in redelijkheid niet meer kon worden toegewezen, naast een honorarium ook een vergoeding toegekend voor de immateriele schade die hij zou lijden. Die schade zou bestaan uit het gemis aan goodwill, dat zijn ontwerp zou hebben opgeleverd.

Binnen een jaar nadat het Nieuw Burgelijk WEtboek -anders dan zijn voorganger- bepaalde dat de rechter naar billijkheid een schadevergoeding kan toekennen voor het nadeel, dat niet een vermogensvermindering inhoudt, is de Raad van Arbitrage met een uitspraak gekomen waarin de opdrachtgever van een bouw een vergoeding kreeg wegens gederfd woongenot.

Dat woongenot was gedurende een niet onbelangrijke periode bedorven door het niet goed functioneren van de verwarming- en ventilatie-installatie in zijn huis.

Die installatie was aangebracht door een installateur aan de hand van de capaciteitsberekening die daarvoor in opdracht van de eigenaar was gemaakt. Toen die aan zijn aannemer berichtte dat de verwarming niet goed werkte, liet de laatste een adviesburo uitzoeken wat er aan mankeerde. Maar ook toen na dat advies de installatie was aangetast, bleven er storingen optreden.

Toen hij anderhalve winter met een niet goed functionerende centrale verwarming had gezeten, was de huiseigenaar het zat; hij spande een kort geding aan tegen zijn aannemer, die daarbij toezegde de gebreken te zullen opheffen. Maar ook daarna traden er nog storingen op, zodat de huiseigenaar zich weer tot de Raad moest wenden. Ook bij de behandeling van het geschil bij die gelegenheid beloofde de aannemer alles te zullen doen om de gebreken aan de installatie te herstellen.

Een adviesburo onderzocht daartoe de bezwaren.Gehouden tegen het licht van het rapport van eisen, dat in opdracht van de huiseigenaar was gemaakt, kwam het bureau tot de conclusie dat de gemodificeerde installatie daaraan voldeed. Dat het in de slaapkamer een woonkamer bij gesloten ramen en deuren warmer werd dan gewenst, lag volgens de deskundige aan het systeem en daarvoor was de aannemer niet verantwoordelijk. De Raad besliste echter, dat de aannemer wel verantwoordelijk was voor het goed functioneren van de installatie omdat hij het advies ingewonnen had van een deskundige, de oorspronkelijke installatie had vervangen door een andere en na overleg met zijn opdrachtgever een aanmerkelijk gecompliceerde installatie had aangebracht.

Het aanbrengen daarvan was ook niet zonder problemen verlopen en dat had volgens de Raad voor de huiseigenaar nogal wat onnodige last en ergernis veroorzaakt.

Maar ook de nieuwe installatie voldeed niet: de vloerverwarming, die de constructie van het huis opwarmde, deed dat vrij traag, maar was er ook de oorzaak van dat de afkoeling te langzaam verliep. In het algemeen gezegd was het een installatie die traag reageerde op wisselingen van de buitentemperaturen, zodat ook de gewenste nachttemperatuur van 15 C gr. slechts met grote vertraging werd bereikt. Maar de nu aanwezige installatie ging uit boven de eisen, zoals die in het oorspronkelijke program van eisen in opdracht van de huiseigenaar waren aangegeven. Omdat hij een andere installatie wilde dan die standaard zat in de alle huizen, die de aannemer had gebouwd, had hij volgens de arbiters een duidelijker program van eisen met een minimum en maximum temperaturen moeten opgeven. Dan zou waarschijnlijk een ander systeem zijn aangebracht.

Omdat naar hun inzicht de aannemer met de nu aanwezige installatie aan zijn verplichtingen had voldaan, was er geen reden om hem te veroordelen tot een schadevergoeding op basis van de kosten van herstel.

Maar dan komt de verassing! Omdat de huiseigenaar gedurende een “lange tijdspanne” groot ongerief had ondervonden als gevolg van het niet deugdelijk functioneren van de installatie, kende de Raad hem een vergoeding voor gederfd woongenot toe van f. 17500. Of dat het gevolg was van een wanprestatie van de aannemer zeggen de arbiters er niet bij. Moeten we deze uitspraak zo begrijpen dat de uiteindelijke toestand zodanig was, dat die geen wanprestatie meer opleverde van de aannemer, maar dat in die periode, waarin alle reparaties en veranderingen plaatsvonden, de aannemer wel in de toestand van wanprestatie verkeerde en het gederfde woongenot vanaf de oplevering tot aan het aanbrengen van de meer gecompliceerde installatie door die wanprestatie was veroorzaakt? Anders zou aan de voorwaarde voor het schadeplichtig zijn van de aannemer, het wanpresteren (of een onrechtmatig handelen), niet zijn voldaan.

(BR 1993 p.996)

Reageer op dit artikel