nieuws

Ontgroening en vergrijzing

bouwbreed

De demografische veranderingen die op ons af komen zijn van invloed op allerlei zaken, waaronder ook de woningbouw. Om de vele veranderingen op hun waarde te ke schatten, is het goed de totaalcijfers bij de hand te hebben. In hun onderlinge verband geven de cijfers een betere indruk van de marktontwikkelingen die met de demografische verandering ke samengaan.

Er gaat geen dag voorbij of er wordt wel ergens geschreven of gepraat over de ontgroening en vergrijzing van onze bevolking. Deze verandering in de demografische structuur van de bevolking heeft soms grote gevolgen op allerlei terreinen.

We hebben daarom uit de ellenlange tabellen van de CBS-huishoudensprognose 1993 (middenvariant) enkele kerncijfers samengesteld, die de ontwikkeling in een paar hapklare brokken weergeven. Omdat het hier vooral om de woningbehoefte gaat, is de z.g. institutionele bevolking buiten beschouwing gelaten. Dat zijn de personen, die langer dan een jaar zijn opgenomen in een of andere instelling, zoals verpleeghuis, kindertehuis, gevangenis, enz.

In bijgaande tabellen zijn twee onderscheidingen aangebracht. In de eerste gaat het om de totale aantallen huishoudens, onderscheiden naar een-persoons en meer-persoons huishoudens. Bij de laatste wordt nog onderscheid gemaakt naar echtparen (al of niet met kinderen), eenouder gezinnen en andere samenlevingsvormen. Als deze allemaal zelfstandig willen wonen, dan geeft dit cijfer de netto woningbehoefte weer, dus exclusief de frictieleegstand en die wegens renovatie enz. De tweede tabel geeft inzicht in de verdeling van de totale bevolking naar leeftijdsklasse en de ontwikkeling daarvan in de komende jaren tot 2010 in beide typen huishoudens.

Eenpersoons huishoudens

De individualisering in de samenleving leidt al jaren tot een forse groei van het aantal een-persoons huishoudens. Voorlopig zal dat volgens de prognose ook zo doorgaan. Blijkens de cijfers in tabel 1 zal het totale aantal huishoudens tussen 1992 en 2010 toenemen met 18%, het aantal een-persoons huishoudens echter met 41%. Het aandeel van dit type huishouden in het totaal neemt dan ook voortdurend toe, van 30% in het eerste tot 36% in het laatste jaar. De groei van het -nu nog tweemaal zo grote- aantal meer-persoons huishoudens is logischerwijze veel geringer, namelijk over de hele periode slechts 8%.

In tabel 2 is de verdeling van de bevolking naar leeftijdsklasse weergegeven, zowel voor een-persoons als meer-persoons huishoudens. De totale toeneming met 41% van het aantal een-persoons huishoudens tot 2010 blijkt tamelijk ongelijk te zijn verdeeld over de verschillende leef tijdsklassen. Het aantal alleenstaanden tot 25 jaar zal tot 2010 met 15% dalen.

Dat betekent op zich een herstel sinds het jaar 2000, want de daling tot dat jaar zal zelfs 20% bedragen. In de volgende leeftijdsklasse vindt een vrij sterke groei plaats tot 2000 (+ 23%), waarna het aantal weer afneemt tot een niveau van rond 14% boven dat van 1992. De groep 40 tot 55-jarigen in een-persoons huishoudens zal de hele periode een forse toeneming te zien geven, groter dan enige andere onderscheiden groep. In 1992 woonden er 857 000 55-plussers zelfstandig, in 2000 zullen dat er al 977 000 zijn (+ 14%).

Meer-persoons huishoudens

De bevolking in meer-persoons huishoudens neemt tot 2010 met ruim 6% toe.

Dat is minder dan de groei van het totaal aantal meer-persoons huishoudens, dat zoals hiervoor bleek, 8% bedraagt. Geleidelijk daalt het aantal personen in dit type huishouden. Gemiddeld over alle huishoudens daalt het aantal personen per huishouden van 2,44 naar 2,29, vooral onder invloed van de groei van het aantal alleenstaanden.

De grootste toeneming die in tabel 2 bij de meer-persoons huishoudens is te zien, betreft de groep 80-plussers. Deze zal met 60% toenemen, van 128 000 tot 205 000 personen. De groei is groot, maar het aantal is bescheiden. Daarnaast is de bevolkingsgroep van 55 tot 65 jaar in meerpersoonshuishoudens nog aan een flinke toeneming onderhevig (+ 47%). Het aantal 25 tot 40-jarigen in dergelijke huishoudens neemt daarentegen met 19% af, tegenover een 14% groei van deze leeftijdsgroep in de een-persoons huishoudens. Wanneer de cijfers voor beide typen huishoudens bij elkaar worden genomen, kan de totale omvang van de ontgroening worden berekend. Wanneer we ‘ontgroening’ opvatten als de daling van de bevolking in de leeftijdsgroepen tot 40 jaar, dan komt de totale ontgroening tot 2010 uit op – 5,5%. Een overeenkomstige berekening voor de 65-plussers levert als omvang van de ‘vergrijzing’ een stijging op van + 30%. Er zijn in 2010 dan nog altijd ruim 8,2 miljoen personen beneden 40 jaar, tegenover ongeveer 2,3 miljoen 65plussers. De vergrijzing verloopt sneller dan de ontgroening, en dat is mooi.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels