nieuws

Museum in het groen aan de Koldingfjord

bouwbreed

De museumdichtheid van Denemarken kan wat minder zijn dan in ons land, maar in de architectuur van de laatste veertig jaar zijn een aantal opvallend musea, veelal voor moderne kunst, tot stand gekomen. Een -bijna- geheel nieuw museum ligt in een buitenwijk van Kolding, in het groen hoog boven het wateroppervlak van de Koldingfjord. In het ontwerp van architecten Bente Aude en Boje Lundgaard is terloops een bestaande villa opgenomen, ontworpen door een Nederlandse architect.

In Kolding, een stad op het vaste land van Jutland bij de bruggen naar het eiland Funen, is het Kunstmuseet Trapholt een jong museum voor hedendaagse kunst in Denemarken. Het in 1981 gestichte instituut heeft vooral interesse in Deense kunst en kunstnijverheid en globaal na 1900. Karakteristiek voor de kunstnijverheid met industrial design is een kostelijke collectie stoelen, waarvan er steeds twee of drie bijna achteloos tussen de kunst staan opgesteld, die zo nu en dan even worden benut door schetsende studenten.

Het ontwerp is via een prijsvraag voor Deense architecten tot stand gekomen waarvoor 162 ontwerpen werden ingezonden.

Centrale ontsluiting

Het Trapholt Museum heeft met het vorige week Cobouw/weekuit gepubliceerde Louisianamuseum boven Kopenhagen gemeen, dat de ontsluiting van museale ruimten een centrale plaats binnen het ontwerp inneemt en dat een bestaande villa in de nieuwbouw werd geintegreerd.

Maar in tegenstelling tot Louisiana, waar de routing van de hoofdontsluiting door enkele expositieruimten voert, is een twee keer onder 45 graden knikkende gang, onder een karakteristiek flauw gebogen tongewelf, ruimte structurerend in de plattegrond. Het flauw gewelfde dak wijkt af van de verder voornamelijk platte daken. In het geaccidenteerde landschap liggen aan die gang verschillende expositieruimten, die ook onderling met elkaar zijn verbonden. De hoogte daarvan varieert van een tot twee bouwlagen. Naast glaspuien zorgen daklichten voor van boven binnenvallend daglicht.

Uiteindelijk komt de gang uit in een restaurant met insteekverdieping en buitenterras met uitzicht op tuin en fjord. Terzijde ligt een traditioneel ogende villa met een rietdak, die via een verbindingsgang met de hoofdontsluiting is verbonden. Een kamer is als expositieruimte in gebruik.

Eenvoud qua architectuur

De architectuur van het museum is eenvoudig. Er is op tamelijk grote schaal gebruik gemaakt van ter plaatse gestort beton, dat is aangevuld met metselwerk dat zo dun is gepleisterd, dat de stenen zich nog kenbaar aftekenen.

Een reeks glaspuien varieert van vormgeving, maar heeft over het algemeen tamelijk grote ruiten gemeen met relatief weinig tussendorpels en -stijlen.

Binnen het gebouw zijn de dakconstructies beeldbepalend. In de museale ruimten zijn het cassettes van de dakvloer die herinneren aan het eveneens onlangs in Cobouw besproken Holstebro Museum van Hanne Kjaerholm. In Kolding zijn de cassettes minder als grondthema in het ontwerp opgenomen, hetgeen zeker niet in het nadeel uitpakt.

Het flauwe tongewelf boven de hoofdontsluiting loopt van de entree tot in het restaurant op een niveau door, ligt dus zeg maar waterpasm met het aansluitende plattedak. De helling in het terrein wordt door de vloeren van de museale ruimten gevolgd met plaatselijk niveauverschillen.

De gang loopt soms licht hellend omlaag en maakt alle expositieruimten eenvoudig bereikbaar voor rolstoelgebruikers.

Plaatselijk ligt terzijde van de gang nog een serre-achtige uitbouw, waar bezoekers verleid worden gewoon even tussen planten en beelden in een stoel plaats te nemen en wellicht even van de zon te genieten.

Nederlandse villa

Terzijde bereikt men vlak voor het restaurant via een doorgang een expositieruimte in de bestaande villa, op de begane grond van de woning. Tijdens mijn bezoek wekte het gebouw lichte verbazing. Door de monumentale met riet gedekte kap, toonde het exterieur nogal landelijk. Maar raampartijen en het soms wat kubistischplastische bouwvolume paste niet helemaal in dat landelijke beeld.

Uiteindelijk bracht een boekje over het museum uitkomst. De initiatiefnemers van de Trapholt Stichting, dr. Gustav Lind en zijn vrouw, waren enige tijd in Amsterdam gevestigd, waar architect A.P. Smits enkele verbouwingen voor hen ontwierp.

Aansluitend kreeg Smits opdracht om een buitenhuis voor de familie Lind te ontwerpen. Het werd een tamelijk modern landhuis met op de verdieping een relatief kleine opbouw die royale dakterrassen toeliet.

Met de slanke profielen van stalen ramen ontstond een markant stukje moderne architectuur in zeg maar de trant van de ‘witte villas’.

Verbazingwekkend blijft echter altijd weer de omslag in het denken van architecten en/of hun opdrachtgevers. In het begin van de jaren veertig werd het zomerhuis in een permanente villa getransformeerd. De eerste verdieping werd met meerdere ruimten uitgebreid en over het geheel werd als met een deken afgedekt een dak van riet gedrapeerd, dat extra zolderkamers mogelijk maakte. Zo kreeg de witte villa een laat-romantisch jasje waarin alleen de deels oorspronkelijke kozijnen wat modern aandoen! In de kamer die bij het museum is getrokken, treft men stoelen aan die ooit in Amsterdam bij het vooruitstrevende bedrijf ’t Binnenhuis zijn gekocht, waar Berlage en De Bazel voor hebben ontworpen.

Achter de villa liggen los daarvan nog enkele vakwerkgebouwen. Hoewel een Deense bouwtraditie, zagen de bedrijfsgebouwen er nog relatief ‘jong’ uit. Ze deden dienst voor een boomgaard met 12000 vruchtbomen die Lind er aan liet planten en zouden heel goed uit de jaren dertig ke stammen. Ze vormen nu een deel van de dienstruimten voor het museum.

Bescheiden museum

Zo ontstond een tamelijk bescheiden museum in een buitenwijk van Kolding. Bezoekers die gebruik maken van een bus vanaf het station hebben het gemakkelijker dan zij die met eigen vervoer hun weg door gevarieerde buitenwijken van Kolding moeten vinden.

In een omgeving met enkele winkels en scholen ligt het museum aan de rand van het beschikbare terrein. Terzijde van een in groen ingepakte parkeerruimte is een beginnende beeldentuin aangelegd. Men kan vrij rond het museum en verdere gebouwen over het terrein wandelen om tot de ontdekking te komen dat de architectuur heel bescheiden is. Vrijwel geen vormwil, deels schuil gaand achter bestaand groen.

Binnen het gebouw is de beeldende kunst soms wat regionaal getint, al varieren de prachtige stoelen in de collectie van begin van deze eeuw tot recente hoogtepunten, veelal van hout, maar de laatste jaren ook met nog slanker staal. Daarnaast treft men textiele werkvormen aan, varierend tussen toegepaste en vrije kunst. Het veraangenaamd het bezoek voor een architectuurtoerist die er overigens ook weer geen hele dag voor hoeft uit te trekken.

Tuinzijde van het Trapholt Museum met boven aan het trapterras het hoge restaurant met een insteekverdieping.

De voormalige ‘witte villa uit de jaren dertig, die in de jaren veertig werd uitgebreid, ondermeer met de monumentale kap met rietdekking, beide ontwerpen zijn van de Amsterdamse architect A.P. Smits.

Expositieruimte aan het begin van het museum, relatief laag met zijlicht dat sterk door weersomstandigheden en de tijd van het jaar worden beinvloed. Rechts enkele voorbeelden uit de interessante stoelencollectie.

Centrale ontsluiting van het museum met een aflopende vloer die de terreinhelling volgt met rechts aanliggende expositieruimten op verschillende niveaus, met toenemende hoogte tot en met een insteekverdieping.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels