nieuws

‘Bouwwerken van (niet)ingrijpende aard’

bouwbreed

De vorige week vertelde ik u hoe onder de nieuwe Woningwet wordt gebouwd. Nog geen jaar werken we nu met een nieuwe systematiek, maar het wordt steeds meer de vraag of we er wel veel wijzer mee zijn geworden. De nieuwe wet staat wel in het teken van de deregulering; het is immer het streven van de regering om de belemmeringen in de wetgeving weg te nemen, die een onnodige belasting van de burger met zich brengen.

Die belasting bestond uit het feit, dat het moeten aanvragen van een bouwvergunning nogal wat tijd (max. twee maanden, maar soms tot vier maanden) en geld van de burger kostte, waarbij nog kwam dat door de vergunningprocedure ook door de gemeenten meer tijd en geld besteed moesten worden dan eigenlijk nodig was. Die lastenverlichting wilde men bereiken door een categorie bouwwerken in te voeren, waarvoor voortaan geen vergunning meer nodig was, maar die alleen nog maar gemeld hoefde te worden. Welke werken tot die categorie behoren vinden we, zo vertelden we U vorig week, in het Besluit meldingsplichtige bouwwerken.

In dat besluit worden dus bouwwerken vermeld, die voor 1992 vergunningplichtig waren. Bijvoorbeeld dakkapellen, die niet breder zijn dan het halve dakvlak, waarvan de bovenkant tenminste een halve meter onder de noklijn ligt en de onderkant nog in het dakvlak.

Ook aan- en uitbouwen aan een zij- of achtergevel vallen onder nieuwe categorie als zij maar binnen precies aangegeven maten blijven.

Maar het zijn niet de adspirant bouwers, die mogen toetsen of de door hen gemelde bouwwerken in de meldingsplichtige ca tegorie vallen. Dat doen de gemeenten, maar die zijn daarbij wel gebonden aan een termijn van een maand. Mocht de gemeente tot de conclusie komen dat de ‘melder’ een bouwwerk tot stand wil brengen, dat niet in de meldingsplichte categorie valt, dat moet zij de melder dat binnen een maand berichten.

Doet zij dat niet dan kan die zijn gang gaan.

Maar de melder kan zich ook op een andere manier vergissen dan door zijn voorgenomen bouwwerk als een meldingsplichtig werk te melden. Er is immers ook een volledig vergunningvrije categorie: een aantal daarvan vonden we al in artikel 14 van de (standaard) gemeentelijke bouwverordening, zoals erfscheidingen van maximaal 65 cm. hoog. De nieuwe Woningwet noemt in artikel 43 een tiental werken, die vrij zijn terwijl het genoemde artikel 14 er maar zes kent.

De belangrijkste bouwwerken, die in artikel 43 vrij verklaard worden zijn de veranderingen van niet-ingrijpende aard, die geen betrekking hebben op de draagconstructie en die het bebouwde oppervlak niet vergroten. Anders dan de meldingsplichtige bouwwerken, die immers voor wat de toelaatbare omvang tot op de centimeter nauwkeurig zijn omschreven, zijn ‘bouwwerken van niet-ingrijpende aard’ niet naar objectieve maatstaven te meten.

Als de gemeente vindt, dat het gemelde bouwwerk in de vergunningvrije categorie valt zou zij dat de melder moeten berichten, zodat hij eerder dan na een maand na de melding aan het bouwen kan slaan, maar dat zal in praktijk niet zo vaak gebeuren, want na die ene maand is de juridische positie van de melder dezelfde.

Het werkelijke probleem van onze gemeenten zit in de beoordeling van de vraag of een bouwwerk voldoet aan de eis van niet-ingrijpendheid. Helemaal vrij zijn zij daarin niet, want de rechter heeft daar al enige uitspraken over gedaan.

En met die opvattingen hebben zij ook rekening te houden.

Van de terras-afscheiding in Velsen, die ik vorige week ten tonele voerde, zou men in gemoede ke zeggen dat die aan de eisen van artikele 43 voldoet, maar de wnd. voorzitter van de afdeling rechtspraak oordeelde daar anders over. Van elke rechterlijke uitspraak mag men verwachten dat die goed gemotiveerd is. In de omschrijving van de reden waarom een bepaald bouwwerk niet aan de wettelijke eis voldoet kan dan niet alleen degene, die zich tot de rechter heeft gewend, zien waarom -in dit geval- het hek niet vergunningvrij is, maar ook alle gemeentebesturen vinden daarin dan een richtlijn bij het bepalen van hun beleid als zich bij hen ook zoiets voordoet.

Maar wat staat er nu in die rechterlijke beslissing? Letterlijk: ‘Gelet op de functie en het doel van het hekwerk, alsmede op de omvang daarvan, is geen sprake van een voorziening vna ondergeschikte betekenis.’ Maar wat die functie en dat doel van de Velsense terras-afscheiding zijn, krijgen we niet te horen. Een andere dan de normale functie van een afscheiding? Als die in het Velsense geval niet bestond uit de bescherming van hen die van het terras gebruik maken, kan ik maar een andere functie bedenken.

Een bescherming van de privacy van de buren, zodat vanaf het terras niet op hun ‘erf’ kan worden gekeken. In de rechterlijke uitspraak wordt terecht gewezen op artikel 50 van boek 5 NBW, dat verbiedt binnen twee meter van de grenslijn o.m. balcons te hebben tenzij de eigenaar van het naburige erf daarmee heeft ingestemd. Het zal vaak een voorwaarde van die eigenaar zijn, dat er een van een terras uitzicht verhinderende afscheiding aan zijn zijde wordt aangebracht. Moet dat belang van een buurman dan een reden zijn om zon afscheiding tot een bouwwerk van ingrijpende aard te verklaren ook als dat bouwtechnisch gezien niet zo is? Ik kan mij niet voorstellen, dat die functie daarvoor een beslissende factor is. Misschien hebben de gemetselde penanten die rol wel gespeeld.

Maar daarover is in de rechterlijke uitspraak niets te vinden.

(BR 1993 p. 376) MR. MATH VERSTEGEN

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels