nieuws

Bouwen op vaders grond

bouwbreed

De eigenaar van de grond is, tenzij daarop een zakelijk recht gevestigd is zoals bijvoorbeeld een recht van opstal, tevens eigenaar van de gebouwen en werken die duurzaam met die grond verenigd zijn. Bij het bouwen op eigen grond levert dat dus geen eigendomsproblemen op, maar die ontstaan wel als men op grond van een ander bouwt zonder daarbij de wettelijke mogelijkheden te benutten, die een scheiding tussen de eigendom van grond en het daarop gebouwde ke bewerkstelligen.

Dat bouwen kan zonder toestemming van de eigenaar gebeurd zijn en is dan een onrechtmatige inbreuk op diens eigendomsrecht. Maar als het met zijn toestemming is gebeurd kan de merkwaardige situatie ontstaan, zoals die hieronder waarover de rechter in drie instanties een oordeel gaf.

In 1986 gaf zoon Van Rijswijk aan een aannemer opdracht om een varkensstal te bouwen op een perceel grond, dat eigendom was van zijn vader.

Dat leek geen problemen op te leveren, maar toen de aannemer de bouwsom van die stal bij zoonlief in rekening bracht, bleek die geen cent te bezitten.

Hij wendde zich daarom tot de vader, die immers eigenaar was geworden van de stal.

Hoewel hij zich niet kon beroepen op een aannemingscontract met senior, omdat diens zoon niet als zijn vertegenwoordiger was opgetreden, had hij toch een drietal argumenten om de vader aan te spreken.

Hij begon met de regel, die al geruime tijd door de jurisprudentie wordt gehanteerd en die sinds kort met zoveel woorden in ons Nieuw B.W. staat. Die regel zegt, dat degene die on gerechtvaardigd verrijkt is ten koste van een ander, verplicht is diens schade te vergoeden tot het bedrag van zijn verrijking.

Het Hof in Den Bosch erkende die regel natuurlijk wel, maar omdat Van Rijswijk senior kon aantonen, dat hij de varkensstal van zijn zoon had overgenomen en hem daarvoor f. 93000 had betaald, was er geen sprake meer van ongerechtvaardigde verrijking.

Daarom werd de eis van de aannemer door het Hof dan ook afgewezen.

Een tweede rechtsgrond om senior aan te spreken was de stelling, dat die onrechtmatig had geprofiteerd van de wanprestatie van zijn zoon. Hij was immers akkoord gegaan met de bouw van de stal op zijn grond en had bovendien die grond met de in aanbouw zijnde stal verhypotheceerd aan de bank voor een lening van f. 250000. Maar ook die stelling werd door het Hof niet gehonoreerd.

De advocaat van het bouwbedrijf zag als laatste mogelijkheid de constructie, dat senior zelf wanprestatie had gepleegd tegenover de bouwer.

De rechtbank, die in eerste in stantie de vordering van de aannemer had moeten beoordelen, zag daarin wel aanleiding de eis toe te wijzen. Senior was volgens de eerste rechter zelf in een contractuele relatie met de bouwer gekomen toen hij als grondeigenaar toestemming voor de bouw had gegeven. Maar het Hof vernietigde dat vonnis, omdat geen van de omstandigheden die bij de bouw hadden gespeeld, voldoende waren om een contractuele relatie tussen vader en bouwer aan te nemen.

Na de uitspraak van het Hof, dat alle drie de aangevoerde rechtgronden had afgewezen, was dus de situatie ontstaan, dat de aannemer geen cent van de aanneemsom betaald kon krijgen.

De laatste kans om daar nog wat in veranderd te krijgen lag dus bij de Hoge Raad. Gelukkig voor het bouwbedrijf dacht die anders over twee van de drie door de bouwer aangevoerde gronden voor zijn eis.

Alleen de stelling, die de rechtbank wel had aanvaard, maar die door het Hof was afgewezen, werd niet door de Hoge Raad overgenomen. Want de constructie, dat senior partij zou zijn geworden bij de aan nemingsovereenkomst ging de Hoge Raad te ver. De andere twee, door het Hof afgewezen, gronden werden wel door onze hoogste rechter aanvaard.

Vooral omdat het Hof zelf al had geconstateerd dat al van te voren vaststond, dat junior wanprestatie zou plegen, had zijn vader zich de belangen van het bouwbedrijf moeten aantrekken, zei de Hoge Raad.

Dat had hij niet gedaan en daarom handelde hij onzorgvuldig tegenover de bouwen van de stal.

Belangrijker was echter het oordeel over de stelling dat pa ongerechtvaardigd verrijkt was. De door senior aan zoonlief betaalde f. 93000 was weliswaar een vermindering van de verrijking van pa, maar in ons Nieuw B.W. staat ook de bepaling, dat alleen een verrijking buiten beschouwing blijft als die plaats vond als gevolg van een omstandigheid, die niet aan de verrijkte kan worden toegerekend.

Zon omstandigheid was volgens de Hoge Raad ook het feit dat senior met zijn verplichting tot schadevergoeding rekening had moeten houden op het moment, dat hij zijn zoon f. 93000 betaalde voor de varkensstal. Gelukkig werd zo de dwaze situatie hersteld die was ontstaan toen het Hof het -al of niet door vader en zoon samen bedachte- kunstje had gehonoreerd om zonder kosten aan een nieuwe varkensstal te komen. Als de Hoge Raad het oordeel van het Hof had gevolgd, zou de vader/zoon constructie in ons land vast navolging hebben gekregen. En dat was nu niet bepaald iets waar onze bouwwereld op zat te wachten.

(BR 1993 p. 556) MR. MATH VERSTEGEN

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels