nieuws

Volgebouwd

bouwbreed

In het museum G.M.Kam in Nijmegen zijn tot 1 november de vondsten uit Ulpia Noviomagus te bezichten. Deze Romeinse nederzetting was de grootste in de Lage Landen en maakte deel uit van het huidige Nijmegen. Zij dankt haar naam aan keizer Marcus Ulpinos Trajanus, die van 98 tot 117 regeerde en omstreeks 104 het marktrecht Noviomagus, verleende.

Omstreeks 1920 ontdekte de toenmalige Nijmeegse archivaris M. Daniels tijdens rioleringswerkzaamheden in de buurt van het Maasplein twee Galli-Romeinse tempels, die tot Noviomagus behoorden.

Verder onderzoek was niet mogelijk omdat die omgeving weldra was volgebouwd. Pas in 1991 kreeg de archeologische dienst een nieuwe kans, omdat de woningen uit 1920 in het kader van de stadsvernieuwing rijp waren voor de sloop.

Men kreeg nu de kans het onderzoek van 1920 voort te zetten. Men groef in 1991 op het terrein van Honig een grote bouwput op waaruit veel materiaal te voorschijn kwam. In 1992 kwamen de ‘twee tempels van Daniels’ weer aan het licht. Gebleken is dat ze toebehoorden aan de Romeinse oppergoden Jupiter en Mercurius. De vraag is wat er met Ulpia Noviomagus is gebeurd.

Men hoopt daar door verder opgravingen bij het Maasplein antwoord op te krijgen. Veel van het reeds gevonden materiaal is onder gebracht in het Rijksmuseum G.M. Kam in de gelijknamige straat op no. 45.

In dit merkwaardige gebouw krijgt men een overzicht over een periode van circa 6000 jaar, met voorwerpen uit de prehistorische tijd, de Romeinse tijd en de Frankische tijd.

Het museum werd gesticht door Gerard Marius Kam (1836-1922). Zijn verzameling oudheden en het museumgebouw schonk hij in 1919 en 1922 aan de staat der Nederlanden. Daarbij werden in het museum Kam als bruikleen on dergebracht:in 1938 de rijke oudheidkundige verzameling van de gemeente Nijmegen en in 1950 die van het St. Canisiuscollege. Als gevolg van deze gelukkige omstandigheden kan het Rijksmuseum G.M. Kam nu een boeiend overzicht geven van de vroegste geschiedenis van Nijmegen en omgeving. Daarbij wordt bijzonder de nadruk gelegd op de expositie van voorwerpen, welke verband houden met de historie van Romeins Nijmegen, en in het algemeen dus van de provinciaal-Romeinse cultuur in de eerste eeuwen na Christus.

Een bescheiden verzameling van voorwerpen uit prehistorische en Frankische tijd completeren de collectie.

Wie in dit museum ronddwaalt wordt geconfronteerd met de oude geschiedenis van Nijmegen. Deze stad was voor de Romeinen een belangrijk strategisch punt, even belangrijk als tijdens de luchtlandingstroepen voor de geallieerden in 1944. De ligging op de uitlopers van de heuvels aan de zuidelijke oever van de Rijndelta -de grens van het Romeinse Rijk- maakt dit duidelijk. In de tijd van keizer Augustus is er op de heuvels bij het Valkhof een burgerlijke nederzetting ontstaan, terwijl een legerplaats werd aangelegd op het hoge terrein, dat nu aan de zuidzijde door de Berg en Dalse weg wordt begrensd. Na de opstand van de Bataven onder Julius Civilis in 69 na Chr. werd hier het tiende legioen, gelegerd in Spanje, te hulp geroepen. De noordoosthoek van dit kamp is nu zo uitgebreid onderzocht, dat men uit de plattegrond kan aflezen, waar soldaten in hun barakken en men uit de plattegrond kan aflezen, waar soldaten in hun barakken en officieren in hun huizen hebben gewoond. Circa 105 na Chr. is het legioen overgeplaatst naar Hongarije. Het kamp werd nog tot het einde van de tweede eeuw door kleine legereenheden bewaakt.

Van dit kamp is in het museum een prachtige maquette te zien. Na de opstand ontstaat er ongeveer 70 na Chr. ten westen van Nijmegen een burgelijke nederzetting met de naam Ulpia Noviomagus. Een bij de nederzetting behorende begraafplaats leverde een grote hoeveelheid in graven meegegeven voorwerpen op, waardoor wij enigszins een beeld krijgen van de leefwijze der Toenmalige bewoners. Na de invallen van de Franken 270 na Chr. wordt er weer op de hoogten bij het Valkhof gewoond; graven uit deze periode werden na de Tweede Wereldoorlog bij de wederopbouw van de binnenstad gevonden. Het is zeer waarschijnlijk dat Nijmegen een doorlopende bewoning heeft gekend, vanaf de Romeinse tijd tot heden.

Tal van gebruiksvoorwerpen uit het dagelijks leven in de Romeinse tijd zijn in het museum Kam te zien. In de noordgalerij zien we een tafel met eetgerei:borden, bekers, messen en lepels. Bronzen vaatwerk werd uit de rivier opgevist, medische instrumenten werden in het kamp gevonden evenals weegschalen en gewichten van lood, kleidingsspelden, toiletartikelen (spiegels, poederdoosjes) en paardentuig. Nu ligt dit alles in vitrines uitgestald. Mocht u in uw vakantie een regendag treffen dan biedt het museum Kam een prettig onderkomen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels