nieuws

Computerprogramma maakt kosten van flexibel bouwen inzichtelijk

bouwbreed

Sinds de jaren zestig wordt al over open bouwen gesproken. De bouwmarkt reageerde tot nog toe vooral met stilte op de gloedvolle betogen van de voorstanders van de andere kijk op het bouwen.

Dat kwam onder meer omdat tot op heden niemand een bewijs kon leveren van de te behalen kostenbesparing.

Daarin is nu verandering gekomen. Dr.ir. M. Prins verdiende niet alleen zijn doctorstitel met het proefschrift ‘flexibiliteit en kosten in het ontwerpproces, een besluitvormingsondersteund model’, maar implementeerde zijn model eveneens in een computerprogramma dat voor de luttele som van f. 250 door elke architect kan worden aangeschaft.

Het is niet overdreven om te stellen dat de noodzaak tot flexibel bouwen al jarenlang in woorden wordt onderschreven.

De meest bekende voorvechter in Nederland, professor N.J. Habraken publiceerde reeds in 1961 zijn boek ‘De drager en de mensen’ waarin hij pleitte voor de scheiding van drager en inbouw. Een gebouw moest gezien de levensduur in de loop van zijn bestaan aangepast ke worden aan gewijzigde omstandigheden en/of bewonerswensen. Een idee waarin iedereen zich kon vinden. Echter:veel meer dan een prachtig verhaal is het tot nog toe niet geworden. De markt pikte het niet op. De redenen hiervoor zijn divers. Zo zal de ‘nuchtere

bouwer de nodige moeite hebben gehad met de bijna verheven manier waarop het ‘open bouwen’ werd gepromoot. Het hele idee kreeg een soort ‘geitenwollen sokken’-imago en dat slaat in de bouw niet aan.

Bovendien werd dit ‘imago

nooit doorbroken door het feit dat men een duidelijk onderbouwd verhaal kon houden over de kostenbesparing die met het flexibel bouwen behaald kon worden.

Rijk

“We zijn eigenlijk altijd te rijk geweest” , schetst dr.ir. M. Prins. “Daarom hebben we ons er nooit echt zorgen over gemaakt dat een, door een gewijzigd gebruik of veranderde wensen noodzakelijke, aanpassing van een gebouw of woning tot een soms immense kapitaalvernietiging leidde. Het is wat dat betreft illustratief dat het ‘flexibel bouwen’ eigenlijk alleen in de derde wereld echt wordt toegepast. Het is echter mijn overtuiging dat men ook in het ‘rijke westen’

over de drempel zal worden getrokken. We hebben immers niet alleen te maken met een afname van de beschikbare financiele middelen, maar ook met een aanzienlijke toename van de vraagdifferentiatie en van de vraag naar kwaliteit.

Anders gezegd:de ene bewoner is de andere niet en iedereen eist passende woon- en werkomgeving die hem nu maar ook in de toekomst past.

Bovendien zullen woningcorporaties onder het regime van een deregulerende overheid veel dwingender worden geconfronteerd met de eis marktgericht te bouwen. Kortom:we ke niet langer om de noodzaak van het flexibel bouwen heen. Groot probleem blijft echter dat de ontwerper niet beschikt over een instrument waarmee hij de kosten van het flexibel bouwen gemeten over de levensduur van een gebouw of woning zo inzichtelijk kan maken dat een vergelijking met het traditionele bouwen mogelijk is. Daarvoor ontbreekt het aan de juiste rekenmmodellen. De huidige rekenmodellen die zijn ontwikkeld, lopen allemaal spaak.”

Baanbrekend

Volgens Prins is dit laatste euvel te wijten aan met name twee hoofdzaken. Allereerst zijn de bestaande rekenmodellen gebaseerd op een ‘statische visie op het gebouw. Er is weliswaar ruimte om rekening te houden met veranderingen die zich in de toekomst aan een gebouw zullen voltrekken, maar omdat alleen is gedacht aan veranderingen in de zin van het vervangen van een kozijn, dakbedekking ofwel de vervanging van het element door een equivalent omdat sprake is van het aflopen van de technische levensduur kan de ‘flexibele ontwerper er niet mee uit de voeten. Er is geen ‘ruimte voor verstrekkender wijzigingen als een verandering van de bestemming van een ruimte. Bovendien gaan de rekenmodellen mank omdat rekening wordt gehouden met subsidies, renteverliezen respectievelijk -winsten, ofwel allerhande zaken die weliswaar kostenbepalend zijn maar die niets te maken hebben met het ‘flexibel’ bouwen.

Heel vervelend tenslotte is dat alle rekenmodellen pas in de laatste fase van het ontwerpproces, wanneer de meeste ontwerpbeslissingen al zijn genomen, ke worden toegepast. Het rekenmodel dat door Prins is ontwikkeld kent deze mancos niet. Het IRRG, Integraal Relationeel Rekenmodel voor Gebouwkosten, kan in alle fasen van het ontwerpproces worden toegepast en er wordt alleen gerekend met kosten die met het bouwen te maken hebben. Daarnaast is het rekenmodel gebaseerd op een ‘flexibel’ gebouwmodel. Prins heeft, na een duidelijke definitie van ‘flexibel’ in het begrip ‘flexibel bouwen’ te hebben geformuleerd, onderzocht hoe aan een flexibiliteitsvraag kan worden voldaan. Dit ‘speurwerk’ heeft geresulteerd in de constatering dat rekening gehouden moet worden met de samenhang tussen elementen die om verschillende redenen gezamenlijk veranderen. Die redenen hebben te maken met hun overeenkomstige technische levensduur en onderlinge technische verandering, door Prins aangeduid als de ‘technische keten’; of hun gezamenlijke ruimtelijke en/of gebruiksrelatie -‘de gebruiksketen’ of elementen die, omdat ze onder eenzelfde bevoegdheid vallen, als eenheid ke worden beschouwd- de ‘sociale keten’.

In het programma dat door Prins is ontwikkeld, wordt gewerkt met deze ketens. Men werkt aldus met een geheel nieuw soort bouwkundige elementen waarin rekening is gehouden met die onderlinge samenhang.

De markt op

Prins zoekt duidelijk contact met de markt om zijn verhaal, dat enthousiast is ontvangen door zijn academische collegas, ook daadwerkelijk toegepast te krijgen. “Het rekenmodel is geimplementeerd in een voor de Apple Macintosh-computers geschikt programma en daarmee gaan we nu ‘de markt’ op” , schetst hij. “Niet uit commerciele overwegingen, maar juist om de werkbaarheid van het model in de praktijk bewijsbaar te krijgen.

Het programma bestaat namelijk uit niet meer en niet minder dan puur het rekenmodel.

Kostendata zitten er niet in, dat moet de gebruiker zelf invullen. Dat kan in het begin wellicht moeilijkheden opleveren, in die zin dat het wat tijd en werk vergt. Echter, zoals dat bij veel computerprogrammas geldt, het zal steeds gemakkelijker worden om ermee te werken. Immers:invoeren van kostengegevens doet men, het ‘updaten’ daargelaten, eenmaal en bovendien zal men na veelvuldig gebruik kengetallen ke vaststellen. Dan kan niet alleen gefundeerd maar ook snel worden gereageerd op de vraag wat flexibel bouwen kost.”

Nadere informatie:TU-Eindhoven, Faculteit Bouwkunde, de heer dr.ir. M. Prins.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels