nieuws

Milieuzorg bedrijven remt verdere vervuiling bodem af

bouwbreed

Vrijwel alle oudere stadsdelen en industrieterreinen in Amsterdam zijn diffuus verontreinigd. Het verkeer, de bedrijvigheid en de huishoudens voegen daaraan nog dagelijks vervuiling toe. De Amsterdamse situatie kan over het geheel genomen model staan voor het hele land. Bedrijfsinterne milieuzorg kan echter in belangrijke mate voorkomen dat de bodem nog verder vervuild raakt. Aldus directeur drs. J. Cleij van de Milieudienst van het Ingenieursbureau Amsterdam.

Het Amsterdamse beleid voor de bodemsanering gaat er volgens Cleij van uit dat na de schoonmaak mens, milieu en functie geen gevaar lopen door vervuiling. Dit geldt voor het hele Amsterdamse grondgebied, inclusief de bedrijfsterreinen. De hoofdstad gaat daarbij uit van een zogenoemde risicobenadering. Die komt neer op het weghalen van de vervuilende bronnen. Saneringsplannen dienen een maatschappelijk draagvlak te hebben, moeten milieuhygienisch, technisch en financieel zijn uit te voeren en ervoor zorgen dat er geen nieuwe vervuilingen ke ontstaan. Bedrijfsinterne milieuzorg kan in belangrijke mate verontreiniging voorkomen. De BSB-operatie verdient een plaats in dit systeem omdat daarmee voorkomen en saneren van vervuiling tegelijk ke plaats vinden.

Wetgeving De ondernemer raakt naar de mening van mr. J. van Gijzen van belastingadviseurs Moret Ernst & Young uit Rotterdam steeds meer verstrikt in de toenemende wetgeving omtrent de bodem. De huidige Wet bodembescherming (WBB) legt de nadruk op een zorgplicht.

Het Ontwerp-WBB gaat evenwel uit van een saneerplicht.

Gedeputeerde Staten ke een bevel tot onderzoek of sanering geven aan degene die een zakelijk of persoonlijk recht heeft op een locatie en er een bedrijf op voert of voerde.

Zodra iemand onweerlegbaar kan aantonen dat hij niet betrokken (is geweest) bij vervuiling, geen duurzame betrekkingen met de vervuiler onderheild of niets van de geconstateerde vervuiling wist, vervalt die plicht. Door het vervallen van aanspraken op schadevergoeding pakken de gevolgen van een gegeven saneringsbevel ingrijpender uit dan voorheen.

De eigenaar van een bedrijfsterrein krijgt met een groeiende reeks verplichtingen te maken die voortkomen uit bestaande of mogelijke toekomstige verontreiniging. Te denken valt volgens Van Gijzen aan de inhoud van de Wet milieubeheer, het Besluit opslag ondergrondse tanks en van de Ontwerp-WBB. Bij grondtransacties moet de verkoper de koper informeren over eventuele vervuiling van het terrein. Ook de koper doet er goed aan voor de ondertekening van het contract een onderzoek te laten doen. De nadruk ligt evenwel op de meldplicht van de verkoper, zeker wanneer het om een professionele partij gaat. Krijgt een koper toch vervuilde grond in bezit dan kan hij de verkoper verplichten tot sanering over te gaan. Daarnaast kan de koper de overeenkomst laten ontbinden of een schadevergoeding eisen.

Aansprakelijkheid In de koopovereenkomst kan niet onbegrensd gebruik worden gemaakt van aansprakelijkheidsuitsluitingen. Tussen het volledig aanvaarden en het volledig uitsluiten van aansprakelijkheid en risicos liggen, blijven volgens Van Gijzen echter verschillende genuanceerde bepalingen in het koopcontract over. De mogelijkheid tot het uitsluiten van bepaalde risicos kan worden doorbroken in het geval dat moet worden aangenomen dat een stilzwijgende garantie is gegeven over de afwezigheid van vervuiling. Over de rol van de verzekeraars hoeven kopers zich niet al te veel illusies te maken. Een verzekering dekt niet alle risicos af en voorziet welbeschouwd alleen in de dekking van restrisicos. Mede dat gegeven maakt een bodemonderzoek dat aan de koop vooraf gaat noodzakelijk.

Een inventariserend onderzoek geeft naar de mening van plaatsvervangend directeur dr.

Th. Faber van de Onderzoeksdienst voor Milieu en Grondmechanica Amsterdam inzicht in wat er op een bepaalde locatie gebeurde en of dat vervuiling met zich meebracht. De kosten van zon onderzoek belopen zon f. 2500 tot f. 10000.

Na dit onderzoek dient een vervolgonderzoek te komen dat bewijst dat een terrein inderdaad schoon is of de mate van een vastgestelde vervuiling aangeeft. Nader onderzoek en saneringsonderzoek zijn maatwerk waarvan de omvang en de kosten direct samenhangen met de plaatselijke omstandigheden. Een ondernemer kan met minder kosten volstaan wanneer hij een onderzoek volgens NVN 5740 laat uitvoeren. Een dergelijk onderzoek is ook nodig voor het wijzigen van de voorwaarden die in een vergunning worden gesteld.

Vrijwilligheid De keuze voor vrijwilligheid bij de sanering van vervuiling is van strategische betekenis voor het beleid van een onderneming. Het geeft de ruimte de werken te laten samenvallen met bijvoorbeeld bouwkundige of installatietechnische investeringen. Een stapsgewijze uitvoering kan zich volgens hoofd Sanerings-, Grond- en Sloopwerken van Ingenieursbureau Amsterdam ir. R. Kremer uitstrekken over een periode van 25 jaar. Een dergelijke aanpak schept ook mogelijkheden om saneringen op meerdere bedrijfsterreinen tegelijkertijd aan te pakken. Dat voorkomt dat een schoongemaakte locatie opnieuw vervuild raakt door verontreinigingen in aangrenzende percelen. Uitstel van een sanering kan er evenwel toe leiden dat de vervuiling zich verspreid.

Tijdelijke beheersmaatregelen ke dit gevaar inperken.

Een saneringsonderzoek moet uitsluitsel geven over de meest geschikte variant. Die moet er volgens Kremer in elk geval in voorzien dat de vervuilings bron verdwijnt, tenzij een bedrijf kan aantonen dat dit niet lukt. Het bedrijf dient een adviesbureau in drie fasen de meest doelmatige variant te laten uitwerken. Op grond van plaatselijke omstandigheden van milieuhygienische, technische of financiele aard kan men afwijken van de ‘herstelvariant’. Daarbij tellen de milieuhygienische en technische omstandigheden bijna uitsluitend mee via een uitgewerkte financiele overweging.

Inpakken Voor het verwijderen en inpakken van vervuiling staan verschillende technieken gereed.

In het westen van Nederland bestaat de bodem voor een groot deel uit klei en veen en vormt een veelheid van stoffen de vervuiling. Gevoelige procestechnieken komen om die reden volgens Kremer nauwelijks in aanmerking voor de schoonmaak.

Bovendien maakt de opbouw van de bodem gebouwen en installaties vaak kwetsbaar voor onttrekking van het grondwater. Sanering van het grondwater duurt meestal langer en verloopt minder effectief dan modellen aanvankelijk voorrekenden. Wanneer de keuze op afgraven valt dient men er rekening mee te houden dat keuring op reinigbaarheid verplicht wordt gesteld. De principes van isolatie, bovenafdichting, verticaal scherm rond en isolatie onder de vervuiling zijn eenvoudig. Minder simpel is de juiste keuze van het type constructie en de wijze van uitvoering. Vooral de dichtheid en de bestendigheid bij een combinatie van mechanische en chemische belastign stelt hogere eisen aan het ontwerp, de materiaalkeuze en realisatie dan aanvankelijk verwacht.

Controle en nazorg is een verplicht onderdeel van een saneringsplan; onderdelen die tot op heden volgens Kremer weinig aandacht kregen en waarmee nog maar weinig praktijkervaring is opgedaan. Vergeleken met de kosten van ontgravingen vallen die voor de IBCmaatregelen beduidend lager uit. Zou de eerste optie f. 100 miljoen vergen dan vraagt de tweede zon f. 66000. Nazorg neemt evenwel ruim 25 jaar in beslag.

De kosten van het laatste blijken bij verschillende poen tot nieuwe afwegingen te leiden voor de toe te passen isolatiemaatregelen. De kosten ke fors oplopen wanneer het gekozen systeem na verloop van tijd blijkt te falen of wanneer noodzakelijke reparaties alleen na het uitvoeren van uitgebreide werken ke gebeuren.

Uitgaven Het storten van vervuilde grond kost volgen Kremer momenteel ongeveer f. 80 tot f. 200 per ton. Naar verwacht ke deze uitgaven oplopen tot zon f. 140 per ton. Schoonmaak van verontreinigde grond vergt f. 100 tot f. 250 per ton. Zuivering van het grondwater kost momenteel ruim f. 5 tot f. 10 per kubieke meter.

Men dient zich echter te bedenken dat heel wwt kubieke meters de installatie zullen passeren. Daarbij bestaat het gevaar dat door de verplaatsing van het grondwater bijvoorbeeld elders voorkomende vervuilingen worden verspreid.

Valt de keus op IBC-maatregelen dan vergt het slaan van een damwand tot de eerste watervoerende laag zon f. 1000 tot f. 2500, het aanbrengen van een scherm uit folie, zand en bentoniet f. 15 tot f. 25 en het oprijden van asfalt pakweg f. 75. Het gaat hierbij om bedragen per vierkante meter.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels