nieuws

Mededinging op de bouwmarkt

bouwbreed

De leden van de SPO hebben zich bij hun toetreding tot die vereniging van Samenwerkende Prijsregelende Organisaties in de Bouwnijverheid gebonden aan de Uniforme Prijsregelende Reglementen (UPR), die zowel bij onderhandse prijsaanbiedingen gelden als bij openbare aanbestedingen.

Door die UPR worden de procedures geregeld voor het verloop van de mededinging tussen ondernemers, die inschrijven op poen op de bouwmarkt.

Centraal daarbij staat, dat na een melding van een prijsaanbieding het aan andere ondernemers verboden is om met de opdrachtgever van dat werk in onderhandeling te treden, op welke manier dan ook.

Die erecode, behorend bij de UPR, levert wel eens moeilijkheden op, want wat moet er nu gebeuren als na de prijsaanbieding geen aannemingsovereenkomst tot stand komt of de opdrachtgever de overeenkomst eenzijdig beeindigt en met een andere aannemer in zee wil gaan? Over een intrekking van de melding wordt in het UPR niet gesproken en die is wel nodig om een andere aannemer in contact te ke laten komen met de opdrachtgever.

Wel is de mogelijkheid genoemd om door de melder toestemming te laten geven aan een derde om een prijsaanbieding te doen.

Die mogelijkheid werd door de president van de Haarlemse rechtbank aangegrepen toen de opdrachtgever van de bouw van een bedrijfsverzamelgebouw aan de Contactweg in Amsterdam zich tot hem wendde omdat aannemer H.B. zijn melding niet wilde intrekken nadat de onderhandelingen met hem niet tot resultaat hadden geleid.

H.B. had op 26 februari 1992 conform het UPR gemeld, dat hij van plan was voor de bouw van het pand in Amsterdam een prijsaanbieding te doen.

Over de bouwkosten van het po werd al op 1 april ’92 overeenstemming bereikt, maar de opdrachtgever wilde al vanaf het begin van de onderhandelingen dat de bouwer zou deelnemen aan de financiering van de bouw. Daarover konden zij echter geen overeenstemming bereiken en dat was voor de opdrachtgever de reden om H.B. te bedanken voor de moeite en hem te vertellen, dat hij de onderhandelingen als geeindigd beschouwde.

Voor de genomen moeite bood hij hem f. 12500 aan, maar dan moest de aannemer wel zijn melding intrekken. Dat wilde H.B. niet omdat hij de aangeboden vergoeding veel te laag vond. Hij beriep zich op de regeling in de UAV over de vergoeding aan de aannemer, die het werk in onvoltooide staat moet beeindigen. Hij heeft dan recht op de aanneemsom minus de bespaarde kosten. Dat zou dan neerkomen op f. 101500 zei H.B. Maar meer dan tot een verhoging van zijn aanbod tot f. 40000 wilde de opdrachtgever niet gaan. En dus trok H.B. zijn machtiging niet in.

Daarom moest de rechter er aan te pas komen:een kort geding voor de Haarlemse president volgde.

U bent helemaal niet bevoegd, zei de aannemer, want wij zijn overeengekomen dat geschillen door arbitrage worden beslecht en in de wet staat dat u zich dan onbevoegd moet verklaren.

Als u de wet goed leest zult u zien, dat de rechter zich onbevoegd kan verklaren door de zaak te verwijzen naar een overeengekomen arbitraal kort geding. En ik zie geen reden om dat hier te doen, zei de rechter, want het geschil kenmerkt zich niet direct door bouwkundige kwesties.

Van wezenlijk belang was hier natuurlijk of een volledige aannemingsovereenkomst tot stand was gekomen. Dat er overeenstemming over de bouwkosten was bereikt betekende nog niet dat er finale overeenstemming was over alle onderdelen van een aannemingsovereenkomst. Zo was de winst voor H.B. nog een punt van discussie, maar omdat die samenhing met de mate van deelneming van de aannemer in het po werd die winst ook nooit vastgesteld.

Hier was dus sprake van het afbreken van de onderhandelingen zonder dat een overeenkomst tot stand was gekomen en het enige dat partijen daarna nog met elkaar bespraken was de hoogte van de uit te keren schadeloosstelling.

Dat H.B. daarbij de voorwaarde stelde dat hij pas afstand van de melding zou doen nadat daarover overeenstemming was bereikt, was niet juist, zo oordeelde de president. Het be lang dat de melding krachtens de UPR wil beschermen was immers vervallen; daarom handelde H.B. in strijd met de jegens zijn opdrachtgever in acht te nemen zorgvuldigheid door hem te verhinderen in contact te treden met andere aannemers. Zon handelwijze is onrechtmatig en dat betekende dat de vordering van de opdrachtgever moest worden toegewezen. Maar &

zat het dan met de schadeloosstelling aan de aannemer? Die maakte van dit tegen hem aangespannen kort geding gebruik door een tegeneis in te dienen:de aanbesteder moest als voorschot op zijn uiteindelijke schadeloosstelling f. 80000 betalen, het geraamde bedrag aan winstderving op het po. De tegenvordering was niet voldoende gespecificeerd vond de president en hij wilde daarom in dit geding geen voorschot toewijzen. Het eindigde dan ook erg onbevredigend voor de aannemer:op straffe van een dwangsom van f. 1000 voor elke dag dat hij aan het vonnis geen gehoor zou geven. Dat vonnis hield in feite in, dat H.B.

aan derden toestemming diende te geven een prijsaanbieding voor het bewuste po te doen. Voor zijn schadeloosstelling zou hij ofwel opnieuw in onderhandeling met zijn wederpartij moeten treden, ofwel de rechtbank moeten vragen het bedrag daarvan vast te stellen. Dat hij in principe wel recht heeft op een schadeloosstelling erkende de presdident ook. Het afbreken van onderhandelingen in een vergevorderd stadium kan immers in strijd zijn met de goede trouw en verplicht de aanbesteder in dat geval tot het vergoeden van de gemaakte kosten en van de gederfde winst.

(BR 1993 P. 80)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels