nieuws

Alberts en Van Huut: Regionale variant in organische architectuur?

bouwbreed

In Cobouw/Weekuit van 19 februari is getracht recent werk van Ton Alberts en Max van Huut te relateren aan vroeger werk van hun bureau. Daarbij werden recente kantoorgebouwen als decor-architectuur gekenschetst. Het vormde aanleiding tot een uitvoerig gesprek met beide architecten, versterkt met Ruud Saarberg. Is de term ‘organische architectuur’ van toepassing op de soms kosmetisch aandoende verzorging van de gebouwschil? De twijfel bleef.

Architectuuropvattingen zijn aan slijtage onderhevig, waardoor de inhoud van begrippen in de loop van de tijd wijzigen.

Een voorbeeld daarvan vormt het begrip organische architectuur, een aanduiding die is gebruikt voor werk van Louis Sullivan en diens volgeling Frank Lloyd Wright, voor vormen van stedebouw, maar ook voor de open plattegronden van Ludwig Mies van der Rohe. Als ik aan organische vormen denk, dan zweven eerder natuurlijk gegroeide vormen voor ogen, uiteenlopend van planten tot kristallen en schelpen. Soms lopen deze natuurvormen bijna naadloos over in ‘primitieve

bouwculturen.

In het werk van Europese architecten als Hans Scharoun en Alvar Aalto treft men een afgeleide vormenwereld aan, die in de beste gevallen in samenhang met het materiaalgebruik organische karaktertrekken laat zien, waarmee hun werk terecht als zodanig wordt aangeduid. In verwante vorm was dat het geval in het werk van Hugo Haring en Erich Mendelsohn.

Een andere complicatie vormt de architectuur rond het Goetheanum in Zwitserland, waarbij antroposofische achtergronden een vormbepalende rol speelden, maar zeker als organisch kan worden bestempeld.

Bovendien ke high tech-achtige structuren uit de omgeving van Frei Otto als organisch worden aangeduid als men denkt aan de olympische stadiongebouwen voor Munchen, waar kabels als spinnewebben zijn toegepast voor de transparante dakhuid. In het Lexikon der Weltarchitektur legt Andrea Gleininger voor organische architectuur ook nog relaties met ecologisch bouwen en inspraak.

Regionale variant Uit deze selectie van mogelijkheden rond de organische architectuur blijkt al dat men er (te)veel kanten mee op kan. Het voorbeeld van het olympische dak in Munchen komt me inspirerend voor, omdat dergelijke tentachtige constructievormen zo nauw aansluiten bij geweven webvormen, maar ook bij bladerdaken van bomen. Men herkent de ‘afleesbare constructievorm en minimalisatie van veel natuurlijk gegroeide organen. Men ziet dat in wat mindere mate bij werk van Santiago Calatrava en de beste voorbeelden van Jugendstil in werk van Victor Horta en Antonio Gaudi’.

Vooral dat constructieve facet mis ik vaak bij Alberts en Van Huut. Er staat wel eens een kolom scheef, waarbij nauwelijks te controleren valt of dat constructief noodzakelijk was.

Pier Luigi Nervi ontwierp prachtige olympische stadions in Rome:gebogen schaaldaken met aan de onderzijde gekromde ribben die aan de dakranden overgingen in schuinstaande Y-vormige kolommen.

Prof. P. Polonyi toonde echter aan dat de krachten in die constructie directer op keurige verticale kolommen afgevoerd hadden ke worden, zonder extra spatkrachten… Sedertdien ben ik wat voorzichtiger geworden met m’n bewondering voor zulke ogenschijnlijk organische constructies.

Uiteenlopende grenzen Architectuur heeft beperkingen qua ‘maakbaarheid’, materiaalkeuze en budget. Maar stelde Max van Huut: “Onze architectuur is niet echt veel duurder omdat we uitgesproken kostenbewust ontwerpen. Daarbij ke we ook innovatieve constructies introduceren.” Als voorbeeld noemde Ton Alberts het eerste gebruik in ons land van de in metselwerk uitgevoerde diafragmawandconstructie. Met relatief dunne spouwbladen en in de spouw opgenomen pilasters, ontstonden voor het sportcomplex De Scheg in Deventer eenvoudige opleggingen voor de dakliggers. De uit Groot-Brittannie afkomstige constructie verrast constructeurs door de eenvoud en snelle bouwwijze in een materiaal. Dat gaat dus de kant op van Nervi, maar dan ‘materiaalgerecht’ en zowel efficient als goedkoop.

Maar hoe ligt dat bij gevels van kantoorgebouwen? Bij verschillende ontwerpen na de NMB in Amsterdam-Zuidoost verscheen metselwerk in twee kleuren met schuin verlopende voegen tussen beide kleurvelden. Dat werd nog weer afgewisseld door tamelijk ordinaire stukjes gordijngevel van blauw aluminium, waarin het rationele gevelraster of stramien van kantoorramen doorloopt. Alleen uit pure vormwil is het buitenspouwblad van metselwerk afgewisseld met couponnetjes schuin beeindigde aluminium gevel. Met licht hellende beeindigingen van metselwerk bovendaks is het mijns inziens een vorm van zwakke neo-organische vormgeving, als decorbouw.

Standaard verhuurkantoor De ontwerper Ton Alberts: “Vergeet dan echter niet dat ook een organisch kantoor voor de verhuur, zoals ontworpen voor Amstelveen en Leidschendam, wordt ontwikkeld op het plattegrondstramien van 5,4-1,8-5,4 meter. De opdrachtgevers geven die opdracht op grond van verwachtingen uit vroegere kantoren, waarvan ook bekend is dat ze niet opeens buitensporig duur waren. Het is een proces in onze ontwikkeling dat we wel degelijk als organisch inschatten.

Winst vormt dan in Leidschendam dat we een kap mogen maken, met leien van natuursteen. Wat wil je meer, dat is toch een hele stap verder?”

Terzijde van de rijksweg A4 verrijst het Castellumcomplex. In een geknikte U-vorm staan kantoorstroken met aflopende bouwhoogte onder een monumentaal daklandschap.

Nog niet van de dakschilden voorziene knooppunten tonen een ongedisciplineerde slagorde van stalen balken en houten gordingen. Hier mist iedere organische oplossing a` la Calatrava of Nervi. Het bouwdeel dat gevoegd uit de steigers kwam, verraadde een zacht daklandschap dat past bij de (verdwijnende) landelijke omgeving, en zal in de verstedelijkte vorm de aandacht blijven trekken.

Organische kosmetiek De architectuur van Albers en Van Huut is enerzijds een stap verder, met een prachtig in natuurstenen leien gedekte kap, een rustiger gebruik van baksteenkleuren voor bijvoorbeeld een afwijkende kleur van een kopgevel. Ramen verspringen licht binnen de mogelijkheden van dragende binnenspouwbladen in de gevels.

Maar een dakschild boven een even schuin geplaatste kopgevel met een aflopend overstek veroorzaakt niet meer dan een decoratieve gebogen schaduwlijn. Een gevelbetimmering tussen metselwerk en dakgoot suggereert een afsluiting van de gevel waarboven de kap plaatselijk wat hoger is opgetild voor een kapverdieping. Dat is niet logisch, hier ontbreekt de redengevende functie en treedt een decoratief verval in. Daarmee rijst de vraag of je deze architectuur als organisch moet afficheren. Ik herinner me nog goed dat Ton Alberts tijdens de bouw van NMB ontkende uit te zijn op organische architectuur, en al helemaal geen antroposofisch etiket accepteerde. Nadat zijn architectuur in trek kwam bij een groot publiek en een aantal opdrachtgevers, is die opvatting omgeslagen en noemt men zich organisch. In de ogen van de ontwerpers is dat waarschijnlijk ook een organisch groeiproces, maar het blijft een Hollandse kosmetiek, overigens met mooi metselwerk zonder de extravagantie van tientallen modellen vormstenen, die voor de NMB en de Gasunie nodig waren.

Architectonische kwaliteit Er is wel degelijk sprake van een opvallende architectonische kwaliteit. Het postmodernisme heeft geleerd minder calvinistisch om te gaan met architectuurstromingen.

Als men de kantoorgebouwen in Amstelveen en Zoetermeer uitsluitend op de architectonische verschijning beoordeelt, dan zijn het interessante gebouwen in vergelijking tot de bodemloze middelmaat aan al dan niet spiegelende kantoorgebouwen langs onze rijkswegen en rond menig station.

Daarbij is het opmerkelijk dat een groot publiek de kwaliteit van Alberts en Van Huut (h)erkent, terwijl de architectenwereld zich veelal wat afzijdig houdt. Succes schijnt kritische vragen te genereren, daar sluit dit artikel overigens tegen m’n zin op aan. Ik denk dat er eindelijk eens een uitvoeriger documentatie wenselijk is en/of een overzichtstentoonstelling. Ze zouden aanleiding ke zijn tot een verdere discussie, al wordt zulks snel een debat van spreeklustigen die weinig te zeggen hebben.

Zelfkritiek Daarbij lijkt er ook kritiek van binnenuit kenbaar te worden. Ton Albers en Max van Huut zijn met twee niet-bouwkundige medewerkers voor zichzelf begonnen in een Amsterdamse bureauruimte. Hun personeel is verhuisd naar een nieuw bureau Alberts, Van Huut en Partners in Haarlem. Directeur aldaar is Ruud Saarberg, die tevens participeert in Saarberg en Van der Scheer. Dat laatste architectenburaeu verrichtte eerder ondersteunend werk voor onder meer De Scheg en het hoofdkantoor van de Gasunie.

Alberts en Van Huut wilden af van tijdverslindend management en terugkeren tot hun kerntaak:ontwerpen. Ze willen daar bij toekomstige opdrachten meer tijd in steken en zo de kwaliteit verhogen. Het gaat dan zowel om ontwerpwerk als om details.

Ervaring met jonge ontwerpers toont de noodzaak aan om de vinger aan de pols te houden. Nieuwe medewerkers vermoeden veelal dat de bomen op dit bureau tot in de hemel reiken bij het ontwerpen. Ze hebben gemiddeld een jaar nodig om te acclimatiseren en kostenbewust te leren werken, waarbij niet zelden hoge eisen aan installatietechniek worden gesteld.

Ik ben nieuwsgierig naar de verdere ontwikkeling in hun werk en blijf twijfelen tussen neo- en regionale organische architectuur.

Castellum in Leidschendam in aanbouw:kantoorruimte voor de verhuur met een wisselende bouwhoogte onder een met natuurlijke leien afgewerkte kap waarvan het linker deel gereed is.

Baksteenarchitectuur voor een constructief dragend binnenspouwblad van beton dat onder de kap tot een en twee verdiepingen hoog geveltimmerwerk aanleiding gaf.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels