nieuws

Plaatselijke situatie bepaalt noodzaak saneren bodem

bouwbreed

Het feitelijke risico ter plekke moet uitsluitsel geven over het al of niet saneren van een vervuilde bodem. Het gebruik van de grond dient daarbij de doorslag te geven. De wet moet hierin voorzien. In beginsel moet alleen de onrechtmatige veroorzaker van vervuiling de schoonmaak betalen waarbij de niet-veroorzakende eigenaar vrijuit behoort te gaan. Hetzelfde geldt voor veroorzakers die voor vervuiling zorgden op een moment dat niemand het probleem kon voorzien.

Met deze uitspraken verwoordt secretaris mr. J. van den Broek voor energie, milieu en kwaliteitszorg van het NCW de bezwaren die de werkgeversorganisaties opperen tegen het voorstel tot uitbreiding van de Wet bodembescherming met een saneringsregeling. De Tweede Kamer zal dit voorstel begin maart bespreken. De saneringsregeling gaat in op de saneringsnoodzaak, de saneringsdoelstelling, het kostenverhaal en het saneringsbevel.

Het eerste gaat in op de vraag of een bepaalde locatie moet worden schoongemaakt. Het tweede moet uitsluitsel geven over de vraag in welke mate reiniging moet gebeuren wanneer de noodzaak van de werken vaststaat. In het geval van het kostenverhaal wil minister J. Alders van VROM dit instrument, dat in de huidige wetgeving al bestaat, met terugwerkende kracht wijzigen. Het vierde punt voorziet in een nieuw instrument waarmee de provincie sanering van bedrijfsterreinen kan afdwingen.

Verschil De noodzaak tot sanering dient zich volgens Van den Broek aan als de nieuwe Cwaarde wordt overschreven.

Wanneer een locatie als saneringsgeval wordt bestempeld rust er een claim op de locatie.

Overschijding van de C-waarde alleen is echter niet voldoende om tot schoonmaak over te gaan. Dat moet pas dan gebeuren wanneer onderzoek ter plaatse aantoont dat een verontreiniging een potentieel risico oplevert. Te denken valt dan aan de mate en mogelijkheid van verspreiding en contact en aan het gebruik van de bodem. In het feitelijke risico maakt een een aanzienlijk verschil of het om een natuurgebied of een industrieterrein gaat.

Risico Het feitelijke risico moet naar Van den Broeks mening ook uitsluitsel geven over de mate waarin de bodem wordt schoongemaakt. Het ministerie wil in beginsel alle locaties geschikt maken voor multifunctioneel gebruik. In bepaalde gevallen ke de maatregelen beperkt blijven tot isolatie, beheersing en controle (IBC) van de vervuiling. Met de multifunctionaliteit verheft de minister de uitzondering echter tot hoofdregel. In de praktijk blijkt schoonmaak voor multifunctioneel gebruik ook niet altijd mogelijk. Sanering van grond onder gebouwen of in binnensteden brengt onevenredig hoge kosten met zich mee. Daarbij is het ook niet altijd nodig. Vervuiling kan bijvoorbeeld onder een geasfalteerd parkeerterrein zitten. Schoonmaak komt dan neer op het weghalen van het asfalt en de vervuilde grond, waarna er opnieuw asfalt op de schone grond komt. Het einddoel moet neerkomen op het treffen van IBC-maatregelen en op gefaseerde schoonmaak van een locatie. Op die manier blijven er voldoende middelen over voor het treffen van andere milieumaatregelen. VROM vindt dat ook maar schrijft deze mening niet als zodanig op.

Verhaalsrecht De minister wil het verhaalsrecht volgens Van den Broek dusdanig wijzigen dat de staat alle saneringskosten die de overheid maakt onverkort en altijd voor rekening van de veroorzaker laat komen. Dat geldt ook voor de eigenaar van een vervuild perceel. Ook die moet het volledige bedrag voldoen ook al veroorzaakte die slechts een klein deel van de vervuiling. Volgens de minister dient de eigenaar de kosten voor het weghalen van de niet-veroorzaakte vervuiling te verhalen op degene die er wel voor verantwoordelijk is. Dat blijkt in veel gevallen onmogelijk. Zo ke er in het koopcontract vrijwaringsclausules staan, zijn niet alle voormalige eigenaren meer te achterhalen of blijkt de financiele positie van de veroorzakers dusdanig te zijn dat verhaal er niet in zit.

Het zou zo moeten zijn dat een eigenaar alleen die kosten voldoet die samenhangen met de vervuiling die ze zelf veroorzaakten terwijl het restant van het bedrag voor rekening van de overheid komt.

Terugwerkende kracht De wijziging van het verhaalsrecht komt in Van den Broeks visie neer op kostenverhaal met terugwerkende kracht.

Daarmee ontstaat rechtsonzekerheid omdat het mensen met aanspraken confronteert die men ten tijde van het handelen niet kon voorzien of hoefde te verwachten. De wijziging doorkruist ook de activiteiten van de stichtingen Oele die mo menteel de ruim 25000 mogelijk vervuilde bedrijfsterreinen onderzoeken. Ingrijpen van de overheid geldt in de visie van de Commissie Oele als een stok achter de deur. De voorgenomen wijziging van het verhaalsrecht is echter een nieuwe stok achter de deur.

Duur Wanneer de overheid bedrijven een rekening stuurt voor alle kosten die met een sanering samenhangen kan dat de ondernemingen in meer dan een opzicht duur komen te staan.

Temeer omdat de economie er volgens Van den Broek momenteel wat minder florissant voorstaat. Een berekenig van de gevolgen valt evenwel niet te maken omdat er bijvoorbeeld nog geen inzicht bestaat in hoever de minister wil gaan.

Anderszins ke de financiele gevolgen ook aanzienlijk zijn. Te denken valt aan een bedrijfsgebouw dat op een terrein staat dat is opgehoogd met havenslib. Dat slib blijkt op een zeker moment vervuild waardoor de waarde van het gebouw daalt. Is dit gebouw een onderpand voor een leningn dan zal de bank het vastgoed als waardeloos beschouwen en de desbetreffende ondernemer geen krediet meer verschaffen. De gemeente wil dat het bedrijf maatregelen treft die verspreiding van de vervuiling voorkomen. De ondernemer kan echter geen kant op omdat hij geen middelen voor deze werken kan lenen. Gaat het bijvoorbeeld om een kantoorgebouw dat onder het beheer van een belegger valt dan zal deze met huurverlagingen worden geconfronteerd en met een daling van het rendement.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels