nieuws

Vooral tweeverdieners in nieuwe koopwoningen

bouwbreed

Uit de gegevens over de bewoners van nieuwe koopwoningen blijkt, dat vooral het aandeel van tweeverdieners daarin gestaag toeneemt. Ook alleenstaanden blijken echter een toenemend aandeel voor hun rekening te nemen. Velen van hen laten een relatief goedkope huurwoning achter.

In 1989 was 11% van de bewoners van nieuwe premiekoop woningen (de vroegere Premie A) een alleenstaande. Van de overigen, de huishoudens met twee of meer personen, behoorde 44% tot de eenverdieners en 45% tot de tweeverdieners.

Vier jaar later waren deze verhoudingen drastisch gewijzigd (het aantal nieuwe premiekoop woningen trouwens ook); de overeenkomstige cijfers voor 1992 waren resp. 20%, 28% en 53%.

Vseb

In de vseb (voorheen Premie C) vond een overeenkomstige ontwikkeling plaats: van resp. 8%, 39% en 53% in 1989 verschoven de verhoudingen naar 13%, 23% en 63%. De daling van het aandeel van de eenverdieners was hier dus relatief het sterkst.

Het zal na het voorgaande niemand verbazen dat ook in de vrije sector de verhoudingen tussen de huishoudens naar hun samenstelling zich wijzigden. De veranderingen waren in deze sector echter meer gematigd. De toeneming van het toch al geringe aandeel van alleenstaanden bleef beperkt, evenals de stijging van het aandeel van de tweeverdieners. In tabel 1 zijn de desbetreffende cijfers op een rijtje gezet.

Doorstroming

Waar kwamen al die nieuwe huishoudens vandaan? In totaal 18% van hen waren starters op de woningmarkt. Zij lieten dus geen zelfstandige woonruimte achter. Dat betekent dat 72% van de bewoners van de nieuwe koopwoningen doorstromers waren en dus wel een zelfstandige woning achterlieten. Wie zei er, dat de doorstroming ‘niet functioneert’? De meesten van hen lieten een huurwoning achter; de doorstroming binnen de koopsector bleef over de drie jaren die we hier bekijken beperkt tot 35% van het totaal (vergelijk tabel 2).

In de premiekoop behoorde gemiddeld 34% van de nieuwe bewoners tot de starters, 10% was afkomstig uit de koopsector en 56% liet een huurwoning achter.

Bij nadere beschouwing bleken dat vooral goedkope huurwoningen (tot f. 500) te zijn. De ‘goedkope scheefheid’ wordt met premiekoop woningen kennelijk effectief bestreden.

In de duurdere vseb kwamen maar 15% starters terecht; deze sector is voor hen niet zo vaak een haalbare optie. Het aantal doorstromers binnen de koopsector was met 25% royaal hoger dan bij de hiervoor genoemde sector. Het grootste aandeel was echter wederom voor rekening van ex-huurders. Daarbij was het aandeel van hen uit duurdere huurwoningen (f. 670 en meer) tweemaal zo hoog als bij de vorige categorie, maar driekwart van hen kwamen toch weer uit woningen met een lagere huur.

De ongesubsidieerde woningen zijn minder goed bereikbaar voor starters op de koopwoning markt. Slechts 10% van de nieuwe bewoners was starter op de woningmarkt, toch nog ruim eenderde was ex-huurder. Meer dan de helft van deze bewoners behoorden echter tot de doorstromers op de koopmarkt. Daarmee komt op deze markt de noodzakelijke ruimte tot stand voor degenen, die geen nieuwe vrije sector woning ke bekostigen. Vooral als in 1995 de gesubsidieerde koopsectoren zullen worden afgeschaft, zal veel van de doorstroming afhangen van juist deze tweede hands koopwoningen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels