nieuws

Neo- en regionale trends in organische architectuur

bouwbreed

Organische architectuur is in ons land actueel door het werk van de Amsterdamse architecten Ton Alberts en Max van Huut. Het hoofdkantoor van de voormalige NMB in Amsterdam-Zuidoost bracht de organische architectuur -in dit artikel verder afgekort als OA- opnieuw ter sprake.

Sedert de opening in 1986 volgden verschillende klonen in de sfeer van verhuurbare kantoren, maar ook het gebouw voor de Gasunie in Groningen. De INGbank koos OA als huisstijl op het moment dat niemand meer weet wat OA inhoudt. Een Britse publikatie helpt ons wellicht op het goede spoor om regionale en neoOA te onderscheiden.

‘Organische architectuur? Onzin, bestaat niet omdat gebouwen niet langs natuurlijke weg groeien’, was de reactie van een bevriend architectuurhistoricus. Eigenlijk heeft hij gelijk. Natuurlijke of organische groeivormen van bomen tot wervelkolommen van mens of dier en in de natuurgevormde formaties van holen tot afzettingen, kan men organisch noemen en komen in de bouw eenvoudig niet voor.

Desalniettemin spreken we van OA, waarbij het in de hedendaagse architectuurproduktie internationaal vaak gaat om nieuwbouw voor vrije scholen, en in ons land nu dus om bankgebouwen en hun klonen met soms een verrassend kantoorgebouw voor de verhuur en de verdere ontwerpproduktie van beide Amsterdammers, van villa tot woonpier in het Marsdiep.

Bronnen

In de Jugendstil of Art Nouveau zochten architecten als reactie op het bouwen in neo-stijlen, aan het einde van de vorige eeuw, naar vernieuwende vormen van architectuur. Met name Victor Horta nam de plantenwereld ten voorbeeld en ontwikkelde een florale art nouveau waarin kolommen en kozijnstijlen geheel nieuwe gebogen vormen kregen. De Catalaanse architect Antoni Gaudi’ kwam tot soortgelijke bouwvormen, wellicht nog wat meer onder invloed van de neo-gotiek in het oorspronkelijke ontwerp van de kerk van de Heilige familie La Sagrada Familia in Barcelona, waar hij aan werkte. Gaudi’

ontwikkelde bouwvolumen van ogenschijnlijk gegroeide vormen en kolommen en vloervelden werden vaak -zoals in de gotiek- in vloeiende vormen uitgevoerd in metselwerk. Daken kregen landschappelijke vormen vanuit dit materiaalgebruik; de dakverdiepingen kregen zo gewelfde ruimten. Hoewel het proces van het ontstaan zeker niet organisch was, geen groeiproces, gaf de vorm wel aanleiding om van OA te spreken.

De antroposoof Rudolf Steiner bouwde in Zwitserland enkele gebouwen in Dornach en zocht op min of meer verwante wijze naar het omzetten van natuurlijke levensvormen in architectuur, die aansloot bij Goethes ideeen over de metamorfose van plantaardige vormen.

In het nu verschenen boek, waarin een aantal recente voorbeelden van OA worden gedocumenteerd, geeft de Hongaarse architect Imre Makovecz een onderverdeling in de OA: van Gaudi en William Morris met plantaardige vormen, Herb Greene legde de nadruk op dierlijk gegroeide metaphoren en Rudof Steiner gebruikte humane methaforen. Imre Makovecz meent dat ‘het belangrijkste in onze architectuur het vormgeven is van het drama van onze activiteiten.’

Ook Makovecz neemt daarbij een eigen plaats in binnen de hedendaagse OA in Hongarije. Zijn fantastische kerkgebouwen komen los van de (neo-)gotiek, maar tonen soms met gelamineerde houtconstructies wel een verwant denken a la Gaudi’. Interieurs van zijn gebouwen krijgen vorm door de constructie die is gekozen en zijn veelal in een organische bouwmateriaal als hout bij uitstek is, opgetrokken. Die constructies roepen bijna gegroeide skeletvormen in herinnering.

Daarbij is het gebruik van hout vanuit de Hongaarse bouwtraditie een regionale karakteristiek.

Moderne vertakking

Daarnaast moeten ontwikkelingen in Duitsland en Finland vanuit het Nieuwe Bouwen in de jaren twintig en dertig vermeld worden.

Hans Scharoun verrastte in de modelwijk moderne woningen van de Stuttgarter Weissenhof-Siedlung in 1927 al met vrijere vormen in ruimten en bouwvolumen dan de doosvormige architectuur van Oud, Stam en Mies van der Rohe. In zijn naoorlogse werk werd het Berlijnse concertgebouw de Philharmonie het onbetwiste hoogtepunt van de OA in Duitsland, gevolgd door zijn Staatbibliothek en museum voor muziekinstrumenten, allen aan het Kulturforum van Berlijn.

Scharoun beriep zich onder meer op zijn leermeester Hugo Haring en ondervond invloed van twaalf collegas die deel uitmaakten van de architectenkring Glaserne Kette. Constructie en ruimtevorming zijn vrijwel synoniem in het werk van Scharoun, zodat een bijzondere vorm van een glaspui ook werkelijk de vorm van de achtergelegen ruimte volgt.

In Finland was dat op verwante wijze het geval met het werk van Alvar Aalto. De Fin groeide vanuit het neo-classicisme, waarin hij zijn carriere begon, via het Nieuwe Bouwen uit tot een persoonlijke vorm van OA. Raadzalen, concertgebouwen en theaters vormen daar spectaculaire voorbeelden van, terwijl hij houtconstructies voor meubelen ontwikkelde die het organische bouwmateriaal vanuit hun groeivorm opnieuw interpreteerde.

In Duitsland ontstond een ScharounSchule van leerlingen en volgelingen; in Finland volgden mensen als het architectenechtpaar Ralli en Reima Pietila een eigen weg, die echter gebaand werd via Aalto’s werk.

In ons land vormt de Rudolf Steinerkliniek van Buys en Lursen uit 1928 een hoogtepunt van OA, dat is aangevuld met enkele villas. De invloed uit Dornach met humane methaforen is duidelijk en logisch als men weet dat de ontwerpers enige tijd in Dornach verbleven. Voor deze vertakking van de OA spreekt men ook over antroprosofische architectuur. Een recenter voorbeeld daarvan vormt het Iona-gebouw in Driebergen van J.I. Risseeuw uit 1978.

Verwant daaraan zijn ook gebouwen voor Vrije Scholen in ons land. Maar evenals in veel Duitse scholen beperkt de invloed van de OA zich tot niet zuiver horizontale of verticale kozijnranden en af en toe een niet loodrecht opgetrokken wand en wat afwijkende hoeken in de plattegrond. Het zijn wat marginale ‘verbijzonderingen’ die vrijwel nergens in de binnenruimten uit functies van ruimtegebruik en materiaaltoepassing voortkomen.

Dat komt ook veel tot uitdrukking in het werk van Alberts en van Huut, en enkele uit het bureau voortgekomen architecten.

Hun ontwerpen zijn wat trendy met voornamelijk uiterlijke OA. Terloops worden begrippen als ecologisch en energiebewust bouwen opgepikt en gemakshalve in de OA opgenomen. Het NMB- en nu INGhoofdkantoor werd al vroeg geafficheerd als het energie-zuinigste kantoorgebouw ter wereld; achteraf bleek dat reuze tegen te vallen.

Neo-organisch

Charles Jencks etiketteerde de Amsterdamse ING-bank als regionaal-organische architectuur. Daar is oppervlakkig gezien het gebruik van veel baksteen wel wat voor te zeggen, zoals Imre Makovecz’s werk vooral opvalt door gebruik van hout.

Maar in ons land blijkt het vaak niet verder te gaan dan geafficheerde OA, als een behangetje op de geveltekening aangebracht. Hier en daar is een schuine scheiding in twee of meer kleuren baksteen opgenomen of afronding dan wel een schuine lijn in puivormen. Vooral de borstweringen die schuin of gebogen boven platte daken verlopen zijn pure vormwil zonder enige functie, die hooguit onderhoud bevorderend zullen blijken. Achter de bijna expressionistische vormwil in baksteen van mening bijkantoor van de ING-bank gaan brave standaardkantoorruimten van 2,60 m hoogte met een systeemplafonnetje schuil. Een deconstructiviste zoals Zaha Hadid heeft in feite het pve voor de brandweerpost van Vitra in Weil am Rhein organischer vorm gegeven.

Op grond van deze ontwikkelingen denk ik dat we in ons land niet verder komen dan neo-organischge architectuur. Een bewijs daarvoor is dat Max van Huut zijn woontoren op de pier voor Den Helder als ‘rots in de branding’ afficheerde. Aan onze hele zeekust komen geen rotsen voor; maar als een sprookje uit de Efteling of Disneyland worden ze geintroduceerd. Op zo’n moment ben ik niet meer bereid om van regionale OA te spreken. Evenals de postmodernisten die in Disneyland bouwden -onder wie zeer vooraanstaande pomo’s- grabbelen beide Amsterdammers in de grabbelton van historsiche bouwstijlen.

En met de constructies gaat het dezelfde weg. H. Baltussen noemde voor het gebouw van de Gasunie ‘Veel constructiedelen even organisch als de architectuur’

in Bouwen in Staal 114. Dat is helaas volkomen terecht. De constructie is absoluut niet organischer dan de architectuur. Beton werd gebruikt voor fundering en onderbouw van de toren, met op de derde verdieping een inmense staalconstructie en daarboven weer beton. Het lijkt niet op een gegroeide skeletvorm in beton, die bovendien kennelijk voorzien is van stalen protheses.

En de dakconstructies van staal bestaan uit een gecompliceerde ‘timmerwinkel’, zoals mijn docent constructief ontwerpen een uit talloze stukjes profiel samengelaste balkontmoeting op de Academie van Bouwkunst noemde. Evenals in de kap van Castellum zijn het noodoplossingen voor architecten, constructeurs en hun opdrachtgevers, die geen inspiratie en budget hebben om het werk van Imre Makovecz ten voorbeeld te nemen. Men kan terecht respect hebben voor de ontwikkeling in het werk van Ton Alberts gedurende inmiddels dertig jaar, maar het blijkt in tegenstelling tot de toelichting van de ontwerper neo-organisch, dat wel.

In het Engelse boek ‘Organic Architecture worden zeer uiteenlopende voorbeelden gedocumenteerd. In de beste wereldwijd verzamelde voorbeelden treft men terecht ruimtelijke interieurs aan die corresponderen met hetgeen het exterieur suggereert. De uitgave moet niet als voorbeeldboek worden gebruikt, maar de intenties liggen wel dichter bij de regionale dan bij de neo-organische architectuur.

‘Organic Architecture is een aflevering van ‘Architectural Design Profile nr. 106. Uitgave: Academy Group, Londen/Ernst & Sohn, Berlijn 1993. Formaat: 25 x 30,5 cm, 120 blz. full color. ISBN: 1 85490 237 7. Prijs: (ingenaaid) DM35.

Boven: Historisch voorbeeld van Jugendstil waarin aan de planten-wereld ontleende vormen van gietijzer voorkomen in de metro-stations van Hector Guimard in Parijs.

Detail van de foyers in de Philharmonie van Hans Scharoun als hoogtepunt van organisch bouwen waar Ton Albers de bankdirectie mee naar toenam om zijn NMB/ING-ontwerp te mogen bouwen.

Hiernaast: Een wat boers voorbeeld van organische architectuur in een cultuurcentrum van Imre Makovecs in het Hongaarse Bak. De grillige kapconstructie is geheel in gepotdekselde delen afgedekt.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels