nieuws

Ik ben geboren in Ouder Amstel. 1934. 7 …

bouwbreed Premium

Ik ben geboren in Ouder Amstel. 1934. 7 september. Daar weet ik nog maar weinig van. Of eigenlijk niks. Ik heb later nog wel eens dat adres bezocht. Ik heb daar maar heel kort gewoond. Twee drie jaar. En toen zijn we verhuisd naar het Gooi, naar Laren. Daar ben ik opgegroeid. Ik zeg altijd tussen de boeren, de kunstenaars en de mensen van de radio. Die wonen daar. En door die wereld ben ik ook wel een beetje beinvloed. Want ik maakte de exposities mee van de komende schilders in die tijd. Ik maakte de jamsessions mee van de muziekwereld.

Op de Tafelberg in Huizen en in de Boerenhofstee in Laren en zelf speelde ik ook in een band. Gitaar, en zang. En dan deed ik dus ook mee, voor zover het werd toegestaan, op het podium.

Dat was een ontzettend leuke tijd in Laren. Het is toch een heel mooi gebied, het heeft alles. Vandaar dat mijn vader en moeder die richting op gingen. Mijn vader komt uit Zeeland. Ik ben een halve Zeeuw, dat is merkbaar. Een Zeeuw is zuinig he.

Goed voor de centjes.

Mijn moeder komt uit ’t Gooi, Eemnes.

Ik heb eerst HBS-B gedaan.

Mijn vader wilde dat ik naar de belastingacademie zou gaan. Hij was zelf belastingambtenaar.

Ik zie het cylinderbureau nog voor me met de wetboeken, belastingboeken, er boven op. Ik ruik het, als ik goed erover na denk, ruik ik het. Hij wilde dat graag, maar ik zag er helemaal niets in. Maar ik heb om mijn vader een plezier te doen wel het toelatingsexamen gedaan, maar daar kwam dus niks van terecht. Ik wou eigenlijk de artiestenwereld in waar ik toen eigenlijk al midden in zat. Beetje daarin zoeken.

Nog niet wetende wat. Achteraf is ook gebleken dat ik me daar best wel in thuis had gevoeld. Want af en toe regisseer ik cabaretjes in amateurverband. Met vrienden, voor verenigingen. Daar leef ik me helemaal in uit.

Mijn moeder vond dat niks, artiest worden. Mijn moeder was ook een soort artieste, daar heb ik het van, maar die zag dat dat leidde tot armoe. De musici die om ons heen woonden hadden allemaal armoe. Als je uren aan uren gestudeerd had op een solo, dan kreeg je daar geloof ik f. 5 voor. En vergeet niet ik was 17 jaar toen ik van de HBS afkwam. Dus dan luister je toch redelijk naar wat anderen zeggen wat je moest gaan doen. In die tijd werkte dat zo. En toen ben ik dan maar naar de HTS gegaan. In die tijd nog de MTS in Amsterdam. Kwam je vanaf de HBS dan kwam je in de tweede klas. Je moest dan nog praktijk op doen en daarom ging je schaven enz. Ik herinner me nog dat ik m’n gereedschap ging kopen bij Stam in Amsterdam. Ik zag gereedschap wat ik in mijn leven nog niet gezien had. Dat moest ik kopen. Bijvoorbeeld een winkelhaak of een reischaaf. Ik moest wel even wennen.

Maar het is niet zo slecht gelopen.

Dienst

Na de HTS ging ik in dienst. Mijn vader schreef mij, toen ik in dienst zat, een briefje met een advertentie erbij van het Ministerie van Onderwijs, waarin stond dat mensen in aanmerking kwamen voor een renteloos studievoorschot. Mijn vader dacht: ‘misschien kan hij daar mee naar Delft’. Ik zat toen in de rekrutenopleiding en heb daar direct op gereageerd. Dat renteloos voorschot heb ik toen ook gekregen. Ik ben gelijk uit dienst naar Delft gegaan. TH gedaan in Delft van ’57 tot ’62.

In Delft zat ik in een jaarclub, die bestaat nog steeds en komt ook op 10 december.

Een van mijn jaarclubgenoten was zoon van een aannemer en een ander die iets eerder was afgestudeerd ging ook bij een aannemer werken. En daar hoorde ik mooie verhalen van. Dus toen dacht ik: ik wil ook bij de aannemerij.

Ik ben in 1962 begonnen bij Wernink Bouwwerken, zo heette dat toen. Als aankomend bedrijfsingenieur. Daar heb ik alle disciplines voor de bouw doorgelopen.

Dat was in die tijd normaal. Je begon een bekistingtekening te maken van funderingen. Die van Fasson aan de Lammerschansweg hier in Leiden heb ik nog getekend. Toen moest ik over naar de calculatie-afdeling. Het hoofd van die afdeling was een Brabander. Leuke kerel was dat.

Ik leerde calculeren, maar hij leerde me ook af en toe rustpauzes te nemen. Wij zijn hier in het Westen te gejaagd. Koffie drinken doen wij tussen neus en lippen door. Nu ook weer. En hij zei altijd een moment van rust en ontspanning met een kopje koffie. Dat is heel leuk.

Toen deed ik dat natuurlijk. Je laat het weer los. Hoewel, ik wil nog steeds als ik thuis ben genieten van de koffie. Maar hier gaat het vaak tussen neus en lippen door en je bent continu met iets bezig.

Ook niet even tijd om daarvoor even achterover te leunen en even rustig te zitten.

Die leer heb ik niet echt getrokken in die tijd, maar ik heb toen wel veel waardering gekregen voor dat soort opvattingen.

Vandaar ben ik naar Van der Vorm gegaan. Bij Van der Vorm werd ik bedrijfsingenieur en vrij snel hoofd produktie en toen adjunct-directeur. Daar heb ik ruim vier jaar gezeten. Toen werd ik gevraagd voor IBB. Na een paar maanden werd al snel duidelijk dat het slecht ging, dat het beroerd was. Het ging gelijk met tonnen achteruit.

Alle prognoses moesten bijgesteld worden tot dat het uiteindelijk leidde tot een verlies van toen f. 5,9 miljoen. Vreselijk. En als je het naar nu vertaald dan is het gigantisch. Dat was zo’n groot verlies dat het aandelenkapitaal werd aangetast. Het hele vermogen was weg en een stuk van het aandelenkapitaal.

Kruidenier

In dat jaar hebben we gewoon alles tot op de draad uitgezocht. Als een kruidenier ben ik van werk naar werk gegaan om te kijken. Om de uurtjes te bekijken en om de prognoses van de inkoop te bekijken en om de hele gang van zaken en de bezetting op de werken te inventariseren en om dus gelijk vast te stellen wat ’t verlies was. En daarna zijn we met tonnetje na tonnetje weer omhoog gekropen.

Achteraf kun je misschien zeggen dat het nodig is geweest. Zo’n bezinning op het bedrijf legt weer een hele goede basis.

Zo’n crisis is misschien nodig om grotere hoogte te bereiken.

Dat is wat mijn collega Dik Wessels inderdaad ook altijd zegt: je moet af en toe een crisis veroorzaken als je hem niet hebt.

Niet een financiele crisis, maar een gewoon crisisje. De mensen moet je af en toe eens wakker schudden. Een crisisje noemt hij dat. Ik heb dat nooit gebruikt. Nou dit was een crisis die bij ons van enorme invloed op de latere gang van zaken is geweest. Dat geldt voor iedereen die uit die tijd is over gebleven. Met een beperkt aantal mensen hebben we die val gebroken en de jongere mensen, we waren allemaal jong in die tijd, hebben er veel uit geleerd.

Ze dachten natuurlijk wat is dat voor een kruidenier? Een van de bazen die komt daar kijken op het werk of wij al die uurtjes wel gebruiken en hoe wij met de kas omgaan. Want in die tijd was er veel kasgeld op de werken en dat wilde ik ook niet.

Ik wilde alles van binnen uit controleren.

Ik wilde al die touwtjes in mijn handen.

Geen werk naar huis

Bij mij is het zo, als er iets aan de hand is in het gezin, dan gaat dat voor. Hier heb ik mijn mensen, hier kan ik het overdragen. Als ik zelf verantwoordelijk ben voor zaken gaat het voor en bovendien heb ik het standpunt ingenomen dat ik geen werk naar huis meeneem in het weekend.

Vrijdag is het afgelopen. Afgelopen tot maandag. Niks van tassen vol met troep en lezen. Dat is onmacht.

Ik kan heel snel iets in me opnemen. En als het niet van belang is ben ik heel snel klaar. Want mensen die niet anders doen dan werken, altijd werken, altijd bezig zijn met werken, doen het verkeerd. Ten eerste moet het niet nodig zijn. Want dan heb je het niet goed georganiseerd. En ten tweede is het niet goed voor jezelf.

Ik ging met de kinderen naar UVS voor het voetbal en voor het waterskien naar de Brasem. Voor basketbal naar Elmex, Parker enz. Daar hebben de jongens ook in gespeeld. De een is 2,01 meter en de ander 2,02 meter geloof ik. Hele grote knapen die gewaterskied hebben op hoog niveau. Allebei Nederlands kampioen geweest. De jongste heeft zelfs nog een record staan, Nederlands slalomrecord.

Staat in het Nederlandse Guinnessbook.

En daar deed ik alles aan. Ik was er altijd bij. Voor zover mogelijk binnen de taak die je hier hebt voor de onderneming. Dat was wel een andere wereld die wereld met de jongens op pad. Alle wedstrijden zomers. Niet alleen in Nederland maar ook in Europese verband: Europese kampioenschappen, wereldkampioenschappen. Schitterend. Dan krijg je een gigantische band met die jongens. Mijn dochter heeft het aanvankelijk ook gedaan, dat is de oudste. Die heeft ook nog wel eens een keer een bekertje gehad. Zij was in de sport niet echt een topper, maar die heeft op andere gebieden topkwaliteiten. De jongens wel sportaanleg en zeker de jongste. Zijn lengte is voor slalom een voordeel. Dan moet je om de boeien. Maar voor figuren is het een nadeel.

Ik was zelf stuurman. In de waterski. Waterskistuurman. Daarnaast was ik commentator bij de wedstrijden. En ik zat ook in de organisatie. Hier ligt net het blad ‘Waterski’, dat heb ik weer gekregen.

Hoewel we het al jaren niet meer doen, kijk ik nog steeds. Ik ga altijd nog naar het Nederlandse kampioenschappen op de Bosbaan in de zomer. En dan vind ik dat leuk.

Ontspanning

Je moet ontspanning hebben in het leven.

Het gezegde ‘de boog kan niet altijd gespannen staan’ is heel erg van toepassing.

Kan niet. Je moet ontspannen. Je moet een keer naar de sauna. Je moet een keer langs de lijn staan, en daar met de jongens bezig zijn. ‘Jongens, niet op een kluitje

roepen. Als je dat niet hebt meegemaakt in je leven heb je veel belangrijker dingen gemist, dan dat je hier een keer een aanbesteding mist. Ik zie nog dat ik langs de kant sta in Belgie, in Antwerpen, ik zie dat voor me, nog steeds, en dan komt van links van de plas achter de bosjes vandaan komt mijn eigen zoon aangeskied. Als je dat mist, heb je dat beeld toch niet. Dat is belangrijk.

Kwaliteit is op het ogenblik een heel hoog item in de bouw, omdat dat door iedereen zo langzamerhand begrepen wordt dat je kwaliteit moet maken. Kwaliteit ontstaat door aandacht voor de organisatie op de bouwplaats en de rommel op je bouwplaats. Ik geloof dat je aan de kwaliteit kan laten zien dat dit Kondor Wessels is waar dan ook. Kwaliteit ontstaat als je acht slaat op de mensen die voor je werken. Zo’n man op de bouw moet voor z’n baas werken. En als hij niet weet wie de baas is dan weet hij niet eens voor wie hij werkt. We hebben allemaal autonome bedrijven in onze organisatie. Dus Reitsma Leek werkt autonoom. IBB Kondor Leiden werkt autonoom. Dat is bij ons het evangelie. De mensen bij IBB Kondor Leiden, moeten bij de baas van IBB Kondor Leiden werken. Die moet zich manifesteren.

Neem een betonvlechter. Daar ziet nou nooit eigenlijk iemand het werk van. Een betonijzervlechter. Die vlecht prachtige constructies. Ga maar eens kijken als iets klaar staat om gestort te worden. Moet je eens kijken wat een kunstwerken dat zijn.

Wat die mensen maken. Gebogen. Continue zo staan. Met die vlechtdraden langs de handen. En dan wordt er gestort en is het werk weg. Niets meer van te zien. Die mensen moeten ook het idee hebben dat ze bijdragen aan het maken van zo’n werk. Het is natuurlijk tweerichtingsverkeer.

Betrokkenheid

De betrokkenheid van mensen bij een onderneming levert automatisch de kwaliteit. Het hangt er ook van af wat voor soort werken je maakt. Ik bedoel als je aan mooi stuk werk bezig bent, dan vinden de mensen dat ook leuk om te doen.

We hebben nu het hoofdkantoor van de KLM Nederland gemaakt in Hoofddorp.

Een prachtig werk. Alle mensen die daar gewerkt hebben zijn daar trots op. De blauwe nationale kleur van de KLM zit er helemaal in. Komt terug, overal. In de gordijnen in de deuren aan de buitenkant van het gebouw. Dat vinden die mensen leuk. Ik ben bij de opening geweest. Het is schitterend hoe ze dat gemaakt hebben.

IBB ging samen met Kondor, een fusie in 1969. Dat was tweemaal hetzelfde. En het heeft geleid tot de helft. Normaal moet een fusie leiden tot 1 plus 1 is 3, of meer. Bij de fusie IBB en Kondor van 120 naar 50 miljoen. Kondor nam de opdrachtgevers mee die IBB ook had. Vroeger beconcurreerden ze elkaar, en nu stonden ze samen in dezelfde rij. Bij de Kondor Wessels fusie was dat heel anders. Dat was gewoon aanschuiven. Vanuit een heel andere positie was ineens Kondor Wessels een grote beursgenoteerde onderneming waar iedereen aandacht voor kreeg, want aan de ene kant was het de echte bekende degelijkheid, de standing, en aan de andere kant was er het ondernemend gebied van de projectontwikkeling. En dat heeft geleid tot wat het nu is.

Opvolger

Er wordt niet gekeken naar een specifieke opvolger want de taakverdeling die komt in de toekomst anders te liggen in de Raad van Bestuur. Vroeger deden we het met zijn tweeen, Dik Wessels en ik, nu is er een financieel econoom bij, Herman Hazewinkel. Een belangrijk deel van het pakket is van mij en van Dik Wessels, maar voornamelijk van mij, naar Herman Hazewinkel gegaan. Ik ben de voorzitter en dat betekent dat ik dus in representatieve opzichten nogal wat verplichtingen heb. Straks moet blijken in de nieuwe Raad van Bestuur als er een nieuwe derde man bij komt, wie dat gaat overnemen. Dat kun je niet bij voorbaat zeggen. Dik Wessels ambieert het niet, die staat liever aan het front zeg maar. Maar er is dus geen derde man terwijl ik op dit moment wegga. We zijn er natuurlijk al tijden mee bezig, dat kun je wel nagaan, met het zoeken naar iemand.

Ik vind het jammer dat het boekjaar halverwege het jaar begint en eindigt. Niet technisch niet organisatorisch, in de onderneming loopt dat prima, maar je loopt of een halfjaar voor met je gegevens of een halfjaar achter en dat halfjaar voor dat is natuurlijk een voordeel, want dan heb je extra aandacht, maar als je een halfjaar achterloopt dan is dat heel vervelend want dan word je niet meer opgenomen in de vergelijkende opzetten. En wij willen graag in de vergelijkende cijfers opgenomen worden want wij staan veelal bovenaan.

Ik hoorde vanmorgen terwijl ik hier naar toe reed weer van die politieke discussies op de radio en toen dacht ik: tjonge jonge, waar zijn jullie toch mee bezig. Dagen, weken over dat wao probleem en nou zitten ze elkaar weer in de haren en zeggen ze weer wat en de volgende keer is het weer Hallo! Eelco! Zo gaat dat toch?

Ja, zo gaat dat, ja.

Ook in de aannemerij kan het zo gaan. We gaan hartstikke leuk met elkaar om totdat er een aanbesteding is en dan komt het mes uit de schede zeg maar. Combinaties maken we met collega-aannemers, terwijl we elkaar ook zitten te beconcurreren, ik heb ooit een keer een echtgenote van een grote aannemer in Nederland horen zeggen ‘ik snap daar niks van, jullie vreten mekaar de ene dag op en de andere dag zitten jullie een borrel met elkaar te drinken’. Nou en zo is het in de aannemerij, tenminste als je daar jezelf ook in thuisvoelt. Er zijn ook aannemers die zich daar natuurlijk niet in thuisvoelen, maar ik vind dat je een goed contact moet hebben, niet alleen met opdrachtgevers of relaties maar ook met collega-aannemers. Want denk erom, een collega-aannemer is een belangrijke partij in de wereld van de opdrachtgevers, want die kan je bekritiseren. Hij kan ook de loftrompet over je steken. Ik vind dat als je in dit vak zit en met zijn allen hetzelfde werk doet ook ervaringen uit moet wisselen.”

We eten nog gezamenlijk een kop erwtensoep met een appel. Dat moet je ook schrijven, zegt hij.

Als ik mijn visitekaartje geef, vraagt hij waarom daar mijn voornaam niet op staat. Ik weet warempel het antwoord niet. Later zie ik dat op zijn visitekaartje ook geen voornaam staat.

Reageer op dit artikel