nieuws

Grijs kenteken: nieuwe regels

bouwbreed

Vervolg van pagina 9 wordt aldus bestraft. Overgangsrecht BPM * Pagina : 0 Het wetsvoorstel zal per 1 januari 1994 in werking treden. In beginsel zal BPM verschuldigd zijn ter zake van de eerste registratie of het eerste gebruik van de weg van alle auto’s die op dat moment niet aan de nieuwe criteria voldoen. Echter, BPM wordt niet verschuldigd voor BPM-vrije auto’s van voor 1994 die niet door ombouw maar door inwerkingtreding van de strengere criteria per 1 januari 1994 die niet door ombouw maar door inwerkingtreding van de strengere criteria per 1 januari 1994 personenauto worden.

BPM wordt weer wel verschuldigd voor auto’s die voor 1994 BPM-vrij waren maar alsnog omgebouwd worden tot een personenauto in de zin van de Wet BPM zoals die voor 1994 luidde. Op het laatste moment is een uitzondering gecreeerd voor sommige auto’s van deze laatste categorie. BPM-vrije auto’s geregistreerd voor 1 januari 1993 mogen tot 1 juli 1994 zonder BPM-betaling omgebouwd worden tot personenauto. Voorwaarde is dat vanaf het moment van ombouw motorrijtuigenbelasting wordt betaald naar het tarief voor personenauto’s. Worden de auto’s echter na 1 juli 1994 verkocht, dan is toch weer BPM verschuldigd door degene op wiens naam de personenau to onmiddellij voor het tijdstip van vervreemding is geregistreerd. Kopers van dergelijke omgebouwde auto’s ke tot geruimte tijd na 1 juli 1994 bij verkoop (bijvoorbeeld bij inruil) dus nog geconfronteerd worden met een BPM-claim. In dat geval geldt de gebruikelijke BPM-afschrijving van 1% per maand, gerekend vanaf het moment van eerste ingebruikneming. Verkoop voor 1 juli 1994 leidt niet tot verschuldigdheid van BPM.

Overgangsrecht

Voor de motorrijtuigenbelasting geldt in principe dat bij BPM-vrije auto’s van voor 1994 die nu personenauto worden, het hoge tarief voor personenauto’s pas geldt vanaf 1 januari 1995. Wordt echter gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot ombouw tussen 1 januari en 1 juli 1994, dan is vanaf de ombouw motorrijtuigenbelasting verschuldigd naar het tarief voor personenauto’s. Het kan voordelig zijn om dergelijke auto’s zo laat mogelijk, doch voor 1 juli 1994 om te (laten) bouwen, om zodoende zo weinig mogelijk motorrijtuigenbelasting te betalen. Hierbij moet echter wel rekening worden gehouden met lange wachttijden voor de keuring door de Rijksdienst voor het wegverkeer. Een organisatie of ondernemer die een om vangrijk wagenpark heeft van voorheen BPM-vrije auto’s die nu personenauto’s worden, kan een verzoek doen om ook na 1 januari 1995 uitgezonderd te worden van het personenautotarief van motorrijtuigenbelasting voor auto’s die voor 1 november 1993 te naam zijn gesteld. Nadere voorwaarden over deze mogelijkheid worden nog gegeven bij ministeriele regeling. Er zal voorts een vrijstelling gelden voor invaliden met een BPM-vrije auto van voor 1994.

Andere wetten

In de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (artikelen 8b, 11.5.f, 36.2.b, 42.7) en de Wet op de loonbelasting 1964 (artikel 15.2.b) wordt verwezen naar het nieuwe begrip personenauto. Deze verwijzing werkt door naar de Wet op de omzetbelasting 1968 (artikel 15 Uitvoeringsbeschikking) en de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (artikel 8).

Voor al deze wetten geldt als overgangsregeling voor auto’s die voor 1994 zijn geregistreerd dat het nieuwe begrip personenauto wordt toegepast met ingang van 1 januari 1995.

Mr. G.J. van Bruggen en Mr. G.G.M. Kortenaar zijn werkzaam als belastingadviseurs bij Meijburg & Co in Amstelveen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels