nieuws

Gestoorde televisie ontvangst

bouwbreed

De schade, die ontstaat als gevolg van de bepalingen van een bestemmingsplan, kan op verschillende manieren vergoed worden. De Wet op de Ruimtelijke Ordening noemt ze als volgt: ‘door aankoop, onteigening of anderszins’.

De eerste twee zijn wel voor iedereen duidelijk, maar wat houdt die derde mogelijkheid nu eigenlijk in? Een inwoner van het Brabantse Halsteren wilde die mogelijkheid gebruiken om op kosten van de gemeente een aansluiting op het kabelnet te krijgen, want alleen op die manier kon hij van een ongestoorde tv-ontvangst genieten.

De man uit Halsteren ging in 1966 wonen in de onmiddellijke nabijheid van het industriegebied Theodorushaven, maar echte hinder had hij daar niet van. Die kwam pas toen in 1974 in dat gebied een fabriek kwam te staan van General Electric Plastics.

Door het op dat moment geldende bestemmingsplan, dat de bestemming ‘agrarische doeleinden’ had veranderd in ‘industriele bedrijven’ mocht in dat gebied tot twaalf meter hoog gebouwd worden en met vrijstelling van B&W zelfst tot achttien meter. De bestemming van de grond, waarop het huis van de tv-kijker stond, werd aangegeven als ‘openbaar groen, plantsoen of berm’

en dat betekende dat het huis zou moeten verdwijnen. Er kwam dus een onteigeningsbesluit, maar de gemeente paste dat niet toe omdat de man uit Halsteren de gemeente vriendelijk verzocht om zijn huis te laten staan. Maar de fabriek stoorde zijn tv en dat was zijn enige probleem om zo dicht bij die plastic fabrikant te zitten.

De oplossing zou dus een aansluiting op het kabelnet zijn, maar dat zou hem meer dan f. 11000 kosten. Omdat de Wet RO de mogelijkheid biedt om de schade, die men lijst door de realisatie van een bestemmingsplan ook op een andere manier vegoed te krijgen dan door aankoop of onteigening, stelde hij de gemeente voor om de schadelijke gevolgen van de bouw van de fabriek op te heffen door een aansluiting op de kabeltelevisie op kosten van Halsteren.

Maar dat weigerde de gemeente omdat het nadeel dat zijn inwoner ondervond, tot zijn normale risico behoorde, dat redelijkerwijs voor zijn eigen rekening diende te blijven.

In zijn motivering van de afwijzing nam de gemeente ook nog een hoogst merkwaardig standpunt in: ‘omdat de schade ontstaan was door de industriele bebouwing, die rechtsgeldig tot stand was gekomen, hoeft die schade niet vergoed te worden. In ons recht is immers geen enkele bepaling te vinden op grond waarvan de overheid de schade moet vergoeden die het gevolg is van zijn rechtmatige handelen’, zo dacht Halsteren ons te moeten onderwijzen!

Maar de administratieve rechter maakte met dat verhaal natuurlijk korte metten. De afgewezen inwoner van de onderwijzende gemeente ging natuurlijk in beroep bij de afdeling geschillen van bestuur want de bepaling, die de gemeente niet kon vinden staat immers levensgroot in de wet RO, waarop de man zich had beroepen.

De schade, die deze huiseigenaar leed, is nu net de schade, waarop die wet ziet, zo corrigeerde de rechter, omdat die schade het onmiskenbare ge volg is van het rechtmatige overheidshandelen, die bestond uit het vaststellen van de planologische maatregel waardoor de fabriek daar gebouwd kon worden.

Ook op een ander onderdeel van de motivering van de gemeente had de rechter kritiek.

Een juiste beoordeling van het verzoek om op kosten van de gemeente aangesloten te worden op de kabel had moeten plaatsvinden na een vergelijking van de schadeveroorzakende planologische maatregel met het voor die maatregel geldende planologische regiem. Dat had de gemeente nagelaten want hij had de schade alleen maar beoordeeld aan de hand van het bestemmingsplan, dat gold op het moment van het verzoek.

Wat de gemeente had verzuimd werd nu dus maar door de rechter gedaan, want die wilde de zaak definitief beslissen.

Toen het verzoek werd ingediend gold het bestemmingsplan an 1980 maar de schade was ontstaan onder de werking van het plan van 1970. Op grond van een vergelijking van beide bestemmingsplannen kwam de rechter tot de conclusie, dat de eigenaar van het bewuste pand door beide plannen in een planologisch nadeliger situatie was komen te verke ren. Vast kwam dus te staan dat er planologische schade was geleden, maar niet elke schade van die aard komt voor vergoeding in aanmerking. De rechter ging dus nog kijken of schade al dan niet voor rekening van de bij hem in beroep gegane man diende te blijven.

Doorslaggevend voor het antwoord op die vraag bleek te zijn het feit, dat de Halsternaar in zijn huis was blijven wonen terwijl hij voldoende mogelijkheden had gehad om zijn huis te verkopen en alleen om financiele redenen niet had ingestemd met de gemeentelijke onteigening van zijn huis.

Om die redenen vond de rechter, dat hij daardoor het risico had aanvaard om geen ongestoorde tv-ontvangst te hebben. Hoewel de gemeentelijke afwijzing van het verzoek op meerdere punten niet goed gemotiveerd was en dat besluit door hem moest worden vernietigd, kreeg de man uit Halsteren toch niet zijn zin. De wet biedt in dit soort gevallen namelijk de mogelijkheid dat de rechter de zaak niet weer terugspeelt naar de gemeente, maar zelf direct beslist. Dat deed hij door het verzoek om schadevergoeding alsnog af te wijzen.

(BR 1993 p. 617)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels