nieuws

Doelgroepen van beleid

bouwbreed

In de Nota Heerma wordt het beleid voor de volkshuisvesting voor de jaren negentig gericht op de lagere inkomensgroepen, de zogenaamde doelgroepen van beleid.

Het beleid dat voor deze groepen nodig zal zijn, wordt vervolgens financieel goeddeels weg-verondersteld. Hoe lang zal dat goed gaan?

De doelgroepen van beleid worden gedefinieerd als huishoudens met een belastbaar inkomen van zo’n f. 30000, alleenstaanden wat minder. In de Trendbrief, waarin de behoefte aan nieuwbouwwoningen voor de komende jaren nader werd vastgesteld, beroept men zich o.a. op het Trendrapport Volkshuisvesting.

Daarin wordt uiteengezet, op grond van een reeks veronderstellingen en een argumentatie die meer lijkt op een circus-truc, dat de omvang van de doelgroepen van beleid de komende vijftien jaar flink zal afnemen. Het Nationaal inkomen zou flink sneller toenemen dan de bevolking, zodat de te verdelen koek sterker groeit dan het aantal mee-eters. ‘Geen gezeik, iedereen rijk’, aldus het Trendrapport vrij vertaald.

Er was natuurlijk niemand op het ministerie die dit verhaal ook maar een moment geloofde, maar het kwam erg goed uit in het kader van de bezuinigingen.

In de woningvoorraad zijn er eigenlijk al voldoende goedkopere woningen aanwezig, zodat het nieuw te bouwen aantal sociale woningen de komende jaren kan worden verminderd. Als het er na een paar jaar nog maar zo weinig zijn, hoef je ze eigenlijk ook niet meer te subsidieren, zodat deze subsidies mooi ke worden wegbezuinigd. De reserves van de corporaties zijn groot genoeg (vooral als je ze allemaal bij elkaar optelt!) om eventuele oneffenheden in de exploitatie op te vangen, aldus de regering opgewekt.

Inkomensgroei

Ondertussen zijn er een paar jaar sinds deze ‘mooi weer-nota verlopen. De economische groei vertoont inmiddels haperingen die niemand in binnen- en buitenland meer ke ontgaan. Aangezien de goede jaren door de overheid nauwelijks zijn benut om de overheidsfinancien op orde te brengen, moet er ook nu het slecht gaat nog steeds flink ‘bezuinigd’ worden.

Bezuinigingen bij de overheid betekenen zoals bekend meestal niet in de eerste plaats ‘minder zinloze verspillingen’ maar ‘lastenverzwaringen voor de burger’. Zo gaat de inflatiecorrectie bij de belastingheffing niet door en gaan allerlei (vooral gemeentelijke) tarieven scherp omhoog, terwijl de lonen volgend jaar niet mogen stijgen. ‘Nul is genoeg.’ Volgens onze minister van Sociale Zaken en werkgelegenheid zouden de lonen zelfs tot 2000 niet meer mogen toenemen, om onze concur rentiekracht op de exportmarkt niet te veel aan te tasten.

Nu zal er hierdoor niet direct hongersnood uitbreken in ons verwende landje, maar een en ander zal wel invloed hebben op de omvang van de doelgroepen van het volkshuisvestingsbeleid. Vooral de sociale zekerheid moet er ditmaal aan geloven, en daarmee heb je al een flink deel van die doelgroepen te pakken. Gegarandeerd zal de nieuwe regering die we in mei enthousiast gaan kiezen, ook de bestaande uitkeringen alsnog wel weten te vinden. Samen met een fors toenemende werkloosheid, die niet een, twee, drie weer weg is als het beter gaat, zullen die doelgroepen waarschijnlijk nogal in aantal gaan toenemen.

Koopkracht

Het wordt dan interessant om eens de ontwikkeling van de koopkracht over een wat langere termijn te bezien, om te kijken wat een redelijke inschatting voor de komende periode zou ke zijn. Zoals altijd ke we daarvoor te rade bij ons onvolprezen CBS. Dit publiceert o.m. cijfers over de statische koopkrachtontwikkeling, dat is de voor prijsontwikkeling gecorrigeerde verandering van het netto huishoudensinkomen. In bijgaand staatje zijn een aantal procentuele mutaties verzameld, die hiervan een indruk geven. In 1990 en 1991 daalde de koopkracht, zij het niet voor de laagste 25% inkomensgroep. Gezien de verbouwing van het sociale systeem zou dat de komende jaren wel eens anders ke worden. In deze zelfde jaren stegen de huren volgens het CBS gemiddeld met 6,2% nominaal; bij de gel dende inflatie toch altijd nog ruim 2,5% reeel. Van de huishoudens in huurwoningen, wier situatie door bijgaande cijfers wordt weergegeven, moet de huurquote dus voorspoedig zijn gegroeid.

Zelfs in de bloei-jaren 1985/’90 bleef de toeneming van de koopkracht beperkt tot 2,1% per jaar, gemiddeld nog niet eens genoeg om de domper van de voorgaande jaren goed te maken. Sommige groepen sprongen er wat gunstiger uit, maar daarbij behoorden niet de doelgroepen van beleid van Heerma. Voor de komende jaren wordt tot de eeuwwisseling best enig economisch herstel verwacht, maar vast geen bloei-periode zoals in de jaren 1985/’90.

De netto koopkrachtontwikkeling zal dus stellig minder bedragen dan de twee procent in deze jaren. Door de ontwikkelingen in de sociale zekerheid zal de koopkracht van deze groepen waarschijnlijk bij de algemene ontwikkeling achterblijven.

Conclusies

1. De omvang van de doelgroepen van beleid zal de komende jaren niet dalen maar toenemen.

2. Gemiddeld zal hun inkomen misschien net de inflatie bijhouden, maar erg waarschijnlijk is dit niet. Dat betekent, dat de ontwikkeling van hun koopkracht ten minste een aantal jaren negatief zal zijn.

3. Als VROM wil voorkomen, dat er de komende jaren ‘onverwachte tegenvallers’

opduiken in het budget voor de Individuele Huursubsidie (IHS), dan zal men dit budget jaarlijks flink moeten verhogen.

Te lage ramingen garanderen overschrijdingen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels