nieuws

Russen zoeken Schat van Napoleon

bouwbreed

Enkele Russen hebben besloten de jacht te hervatten op de ‘Schat van Napoleon’, die in 1812 uit het Kremlin verdwenen is. Op basis van historische getuigenverklaringen nemen zij aan dat ze moeten zoeken op de bodem van een klein meer aan de weg naar Smolensk, op 250 km ten westen van Moskou.

Op initiatief van de Komsomalskaja Pravda, de krant van de jeugdafdeling van de communistische partij (Komsomol), heeft men in het begin van de jaren ’60 ook een expeditie gedaan.

Deskundigen van het ‘Instituut voor het opsporen van non-ferro- en edelmetalen’

ontdekten een overdosis aan metaaldeeltjes over een strook van ongeveer veertig meter lengte en vijf meter breedte langs een oever van het Stojatsjeje-meer, dat eigendom was van de graan-zuivelkolchoze Semljovo. Scheikundigen stelden in het water van het meer zilversporen vast die honderd keer sterker waren dan normaal.

Nu, dertig jaar later, hebben dezelfde krant en dezelfde groep geologen besloten een nieuwe poging te doen. Die van de jaren ’60 strandde op de weigering van het kolchozepersoneel, het Sovjetministerie van stroomvoorziening toestemming te geven ‘het meer leeg te pompen’. Het ministerie had niet alles op alles gezet omdat de klus erg zwaar bleek; men stuitte op een diepte van zes meter op een vijftien meter dikke slijklaag.Een ijzige noordoostenwind blaast over de bevroren velden van de 5000 hectare grote voormalige kolchoze, die kort geleden omgezet is in een KSM (collectief landbouwproduktiebedrijf). De oude ‘weg naar Smolensk’, die de troepen van Napoleon op hun terugtocht in november 1812 namen, loopt erlangs.

Men moet nog een met berken beplant moeras passeren voordat men bij het meer komt. Dit is al bedekt met een dunne laag ijs. Eromheen hebben de Russische geologen apparatuur geinstalleerd die niet zou misstaan op de set van een science-fictionfilm uit de jaren vijftig. In zijn rapporten vertelt maarschalk Louis Alexandre Berthier dat hij op 27 oktober 1812 in een brief aan onderkoning Eugene Beauharnais van Italie heeft geschreven ‘dat maar een ding hinderlijk is (tijdens de terugtocht): het konvooi’.

Napoleon bevond zich toen in de buurt van Viazma met zijn leger en ongeveer vijftien wagens die dienden als vervoermiddel van ‘een buit van tien tot vijftien ton, waaronder kanonnen, vaatwerk, bont, kostbare gouden en zilveren sieraden, en het kruis van tsaar Ivan de Grote’. Dit kan worden opgemaakt uit de gelijkluidende verklaringen van de Russische historicus Aleksandr Michailovski-Danilevski -de adjudant van maarschalk Koetoezov in 1812-, van de graaf van Segura -die deelnam aan de strijd- en de roman van Walter Scott ‘Het leven van Napoleon Bonaparte.

‘Maarschalk Berthie gaf toen opdracht een deel van de buit in het meer te gooien, en verscheidene aanwijzingen, met name in de aangehaalde werken, brengen ons op de gedachte dat het ging om het Stojatsjeje-meer’, aldus Nikolaj Varsegov, een Russische journalist die in de ban is geraakt van deze wat gewaagde onderneming. Dit enthousiasme is bepaald niet het deel van Valentina Pavlovna Fralova, die sinds zes jaar burgemeester is van het 1500 inwoners tellende dorp. Geboren als ze is, bijna vijftig jaar geleden, in Semljovo kent ze de legende van ‘het goud in het meer’ uit het hoofd. Ze heeft ook al meegemaakt dat ‘avonturiers’ een koude duik maakten op zoek naar de schat.

‘Met name in de jaren zestig, na de eerste expeditie, maar ze kwamen nooit dieper dan 5 a 6 meter vanwege de sliklaag.

Het meer is rijk aan rottingsslik, organische modder die ten grondslag ligt aan olie en die bruikbaar is voor de brandstofindustrie’, zo legt Valeri Roednitski uit. Hij is hoofd van het regionale bestuur van Viazma, de meest nabijgelegen stad. Hij laat doorschemeren dat hij, naast de schat van Napoleon, op de bodem van het meer vooral goud van een andere kleur hoopt te vinden: zwart goud.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels