nieuws

Vervaltermijn en goede trouw

bouwbreed

De aannemer is aansprakelijk voor de schade, die het gevolg is van zijn wanprestatie. Maar de benadeelde kan niet te lang wachten met het instellen van een rechtsvordering, waarbij hij alsnog nakoming of schadevergoeding eist. In het algemeen geldt een wettelijke verjaringstermijn van 20 jaar; in het oude B.W. was die zelfs nog langer, namelijk 30 jaar.

Voor een aantal belangrijke praktijk-gevallen gelden echter volgens het Nieuw B.W. veel kortere verjaringstermijnen: alle vorderingen om te geven of te doen verjaren al na 5 jaar. Zo ook die om schadevergoeding of een bedongen boete te betalen.

Van de wettelijke regeling mag bij overeenkomst worden afgeweken. In de bouwwereld gebeurt dat door het van toepassing verklaren van algemene voorwaarden, waarin vervaltermijnen zijn opgenomen.

Zo zeggen de UAV 1989 dat een rechtsvordering uit hoofde van een verborgen gebrek niet ontvankelijk is als zij pas wordt ingesteld na 5 jaar sinds de oplevering van het werk.

Zo kan de aannemer er op rekenen dat hij na die vijf jaar niet meer wordt aangesproken voor gebreken in de bouw.

Niet bekend

Het zich beroepen op zon beding is dan namelijk in strijd met de eisen, die de goede trouw daaraan stelt.

Op die lijn zit de Raad van Arbitrage ook. Eind vorig jaar besliste hij dat een aannenmer zich niet op de contractuele vervaltermijn kon beroepen omdat hij zijn opdrachtgever niet had gewezen op de risicos die een bepaalde constructie met zich bracht. Die vervaltermijn hier was nog korter dan die van de UAV, omdat op de aannemingsovereenkomst de AVKA ’79 van toepassing waren verklaard. Die kennen een vervaltermijn van slechts 3 jaar. Die aannemingsovereenkomst was gesloten voor de bouw van een kantoorpandje, waarvoor de aannemer ook het ontwerp geleverd had. Omdat het om een betrekkelijk klein po ging -de aannemingssom bedroeg nog geen 2 ton- werd niet onder directie gebouwd en dus ook de UAV niet van toepassing verklaard maar de AVKA. Kort nadat hij zijn kantoor in gebruik had genomen meldde de opdrachtgever dat er in de vloer en de wanden van het gebouw scheuren ontstonden. Een deskundigen-onderzoek wees uit, dat die het gevolg waren van een foutieve vloer-constructie. In plaats van een vrijdragende was een stampbetonvloer op zand gelegd. Dat was gedaan om de aannemingssom zo laag mogelijk te houden, maar -zoals zo vaak- bleek ook hier weer ‘goedkoop duurkoop’ te zijn geweest.

Omdat de opdrachtgever vond, dat die kwestie eerst moet zijn opgelost betaalde hij het restant van de aannemingssom nog niet. Toen hij daartoe werd aangesproken door zijn aannemer eiste hij voor dezelfde arbiter vergoeding van zijn schade. Dat was echter later dan de overeengekomen termijn van drie jaar na de oplevering. De opdrachtgever vond echter, dat hier helemaal geen sprake was van een verborgen gebrek, omdat er al scheuren te zien waren op het moment dat de eindafrekening werd aangeboden. Dat gebeurde bij een bespreking die 2 1/2 maand na de feitelijke ingebruikneming van het pand had plaats gevonden. Die termijn van drie jaar was dus helemaal niet aan de orde, betoogde opdrachtgever van de bouw en zelfs als dat wel het geval zou zijn mocht de aannemer zich niet op die vervaltermijn beroepen, omdat dat niet redelijk en billijk zou zijn, zo vond de opdrachtgever.

Die bespreking had echter plaats gevonden na de ingebruikneming, waardoor het pand als opgeleverd beschouwd moest worden. En na de oplevering is de aannemer niet meer aansprakelijk voor tekortkomingen in het werk, behalve in twee gevallen, waarvan de aanwezigheid van een verborgen gebrek het belangrijkste is.

Je zou daarom verwachten, dat de arbiter zich allereerst het hoofd zou buigen over de vraag of hier sprake was van een verborgen gebrek en pas als dat zo was of de aannemer zich zou mogen beroepen op de korte vervaltermijn van de AVKA. Opvallend in zijn vonnis is, dat hij wel uitdrukkelijk vaststelt, dat door de feitelijke ingebruikneming de oplevering had plaats gevonden, maar niets zegt over de aard van de gebreken. Hij laat dat in zijn vonnis dan ook steeds in het midden en heeft het alleen over ‘het gebrek’. Als dat echter niet als ‘verborgen’ kon worden aangemerkt zou de aannemer niet meer aansprakelijk zijn omdat zich niet een van de twee uitzonderingsgevallen zou hebben voorgedaan. De arbiter moet er echter wel van zijn uitgegaan dat het gebrek verborgen was, want anders had hij niet ke beslissen wat hij nu besliste.

Hij bepaalde namelijk, dat de aannemer in redelijkheid geen beroep kon doen op de drie-jarige vervaltermijn, omdat hij had nagelaten om zijn opdrachtgever te waarschuwen voor de risicos van de stampbetonvloer. Hoewel de driejarige vervaltermijn van de toepasselijke AVKA al verstreken was toen de opdrachtgever zijn schadevergoedingseis instelde, werd de aannemer daarom toch veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding en wel op basis van de kosten van herstel door een andere aannemer, omdat een veroordeling tot herstel door deze aannemer niet goed mogelijk was, zo vond de arbiter.

De vraag die levensgroot boven deze zaak blijft hangen is, of de opdrachtgever nu niet bleef zitten met een kantoor, dat gebouwd is op een verkeerde vloer. Bouwtechnisch zou die vervangen moeten worden door een vrijdragende vloer, die geen scheurvorming zou veroorzaken. Nu kreeg hij alleen de kosten vergoed van de reparatie van wat voegen en scheuren in de binnenwanden en van het herstel van wat tegels in de hal. Al met al bedroegen die minder dan het restant van de aannemingssom van ruim tienduizend gulden.

De minderwaarde van het kantoorpand met zijn verkeerde vloer zal aanmerkelijk groter zijn dan het toegekende herstel-bedrag.

(BR 1993 p. 737) MR. MATH VERSTEGEN

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels