nieuws

Saneringskosten drukken op verwerving Vinex-locaties

bouwbreed Premium

De vervuiling in de bodem van glastuinbouwgebieden en onder Vinex-locaties zal onder meer voor de Haagse regio een kostenpost van vele tientallen miljoenen guldens betekenen. Deze verwachte uitgaven drukken op de verwerving van gronden voor woningbouw. Aldus jhr. mr. J. van Rijckevorsel van de VNG op een bijeenkomst in Utrecht.

Volgens Van Rijckevorsel kopen particulieren in de Vinexgebieden in toenemende mate de grond op die tussen de broeikassen van tuindersbedrijven ligt. De schoonmaak van de bodem onder de kassen zal forse problemen met zich meebrengen. De tuinder hoeft zich geen zorgen te maken over een saneringsbevel want zolang hij zijn bedrijf uitoefent is de situatie niet urgent. De vervuiling onder de kassen ontstond door het jarenlange gebruik van het bodemontsmettingsmiddel methylbromide. Dit middel werd in 1992 verboden terwijl tuinders in de periode 1980-1991 voor de kweek van bepaalde gewassen een verklaring van geen bezwaar konden aanvragen en die doorgaans zonder meer kregen. Sanering van de gevolgen hoeft volgens Van Rijckevorsel alleen wanneer de gronden worden gebruikt voor woningbouw. Verwerking van de schoonmaakkosten in de grondprijs is onmogelijk. Verrekening van deze kosten in onteigeningsprocedures is eveneens niet mogelijk omdat het desbetreffende bedrijf elders eenzelfde positie dient te krijgen.

Uitsluitsel

Volgens advocaat mr. J. Hoekstra ontstaat er een saneringsnoodzaak wanneer er volgens de nieuwe wet bodembescherming sprake is van een ‘ernstige verontreiniging’. De mate van vervuiling bepaalt de urgentie van de aanpak. De saneringsdoelstelling moet uitsluitsel geven of de komende werken de multifunctionaliteit van de bodem terugbrengen of dat men kan volstaan met IBCmaatregelen. De nieuwe wet onderscheidt gevallen van verontreiniging, van ernstige verontreiniging, van ernstige verontreiniging zonder saneringsurgentie, van dusdanig ernstige verontreiniging die aanpak binnen vier jaar noodzakelijk maakt en van ernstige verontreiniging die vier jaar na het vaststellen kan worden opgeruimd.

De regeling voor vrijwillige sanering in eigen beheer levert volgens Hoekstra een bron van conflicten op. Saneerders en/of belanghebbende derden ke allerlei beroepsprocedures aanspannen. Dat betekent een taakverzwaring voor gedeputeerde staten en voor de administratieve rechter. Het kan gebeuren dat GS een voorstel tot het treffen van IBCmaatregelen afwijzen die de administratieve rechter later wel voldoende acht. Is in de tussentijd de volledige sanering begonnen dan komen de kosten van dit werk voor rekening van de provincie. In het geval van onvrijwillige sanering kan de provincie volgens Hoekstra een nader onderzoek gelasten, tijdelijke beveiligingsmaatregelen voorschrijven, tot een saneringsonderzoek besluiten en een bevel tot sanering afgeven.

Voorschriften

Bij de eerste twee mogelijkheden hoeft het volgens Hoekstra niet om een saneringsgeval te gaan, in tegenstelling tot de laatste twee. De voorschriften vereisen onder meer advies van Burgemeester en Wethouders van de desbetreffend gemeente. Verder moet er overleg volgen met de rechtheb bende op het grondgebied.

Voorts moet gehoor worden gegeven aan de provinciale Inspraakverordening en dient de (potentiele) ontvanger van het bevel zich bereid tonen tot medewerking.

Wil de eigenaar/erfpachter onder het bevel uitkomen dan moet hij ke aantonen dat hij geen ‘duurzame rechtsbetrekking heeft (gehad) met de vervuiler, niet feitelijk meewerkte aan de verontreiniging en bij het verkrijgen van de grond niet van de vervuiling op de hoogte was. Wie als eigenaar/erfpachter voor een deel vervuiling kan worden verweten kan de gevolgen afkopen wanneer de bijdrage aan de vervuiling minder dan de helft van het totaal is of overeenkomt met het deel dat de betrokkene vervuilde. Men kan ook GS betalen waarna dit college de sanering laat uitvoeren.

Hoekstra noemde de provinciale bevelsbevoegdheid ‘ongenormeerd’. Welbeschouwd ontstaat met terugwerkende kracht vergaande publiekrechtelijke aansprakelijkheid voor bodemverontreiniging. Een belangrijke rol is daarmee weggelegd voor toetsing aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Pas na jurisprudentie van de administratieve rechter zal de noodzakelijke duidelijkheid ontstaan.

Reageer op dit artikel