nieuws

Mededeling van onbevoegde directeur

bouwbreed

De nieuwe Woningwet, die ik in de achter ons liggende maanden al enige keren ten tonele voerde als voorbeeld van rijksregelingen, die vaak meer vragen oproepen dan beantwoorden, heeft weer geleid tot een uitspraak van de administratieve rechter.

Aanleiding daartoe was de brief van de dienst VROM (waaronder de op gemeentelijk nivo bekendere Openbare Werken vallen) van de gemeente De Ronde Venen, waarin Mijdrecht is opgegaan, dat een aangemelde dakkapel niet voldeed aan de normen die in het Besluit Meldingsplichtige Bouwwerken wordt gesteld.

Was die mededeling van de directeur van die dienst VROM een beschikking waartegen in beroep kan worden gegaan of zo maar een mededeling zonder rechtsgevolgen?

De gemeente De Ronde Venen had nog in hetzelfde jaar waarin de directeur die brief schreef aan de man die een dakkapel wilde plaatsen, een regeling gemaakt waarin werd bepaald welke gemeente-ambtenaren namens het college bepaalde beslissingen mochten nemen.

Daarin was de directeur VROM alleen bevoegd verklaard om ‘eenvoudige correspondentie inzake bouwaanvragen’ namens het dagelijks bestuur van de gemeente te ondertekenen.

Een beslissing of een bouwwerk voldeed aan de eisen, die in het meldingsbesluit worden genoemd mocht hij dus zeker niet nemen.

Dus zou men verwachten, dat zijn mededeling aan de inwoner van Mijdrecht geen beschikking was. Een beschikking moet immers bevoegd gegeven zijn, anders zouden strikt genomen u en ik zon mededeling ook wel namens de gemeente mogen doen.

Was het nu zo belangrijk of het hier een mededeling met de status van een beschikking was of niet?

Het antwoord ligt in de vraag of de Mijdrechtenaar tegen die mededeling in beroep kon komen bij de administratieve rechter of niet. De Wet Administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (kortweg Wet AROB genoemd) geeft namelijk alleen de mogelijkheid bij de afdeling rechtspraak bezwaar te maken tegen een schriftelijk besluit van een bestuursorgaan, dat gericht is op een rechtsgevolg.

Omdat in de brief een zwaardere -en ook kostbaardere- procedure werd vermeld dan die op grond van het meldingsbesluit nodig was, ging de Mijdrechtenaar met de brief naar de rechter.

Nu die brief niet kon worden aangemerkt als een beslissing van B&W had de gemeente immers niet voldaan aan de wettelijke termijn om binnen een maand aan de melder te berichten, dat de dakkapel viel onder de bouwwerken, waarvoor met een melding aan de gemeente kan worden volstaan.

De nieuwe Woningwet, zo heb ik u al eens eerder verteld, bevat de fictie dat, als de gemeente dat niet doet, de vergunning geacht wordt te zijn verleend. In juridische termen heet dit, dat de vergunning ‘van rechtswege is verleend.

Deze redenering van de Mijdrechtse adspirant-bouwer leek rond, maar de gemeente sprong heel handig in op de bewering, dat de ambtelijke mededeling geen ‘beschikking’

was, waartegen in beroep kan worden gegaan. De brief van de directeur bracht toch geen enkel rechtsgevolg met zich.

Hij had alleen de bedoeling de melder er op te wijzen, dat nu zijn dakkapel niet viel onder het meldingsbesluit er een vergunning voor nodig was.

De directeur had alleen maar gewezen op iets, dat de melder zelf had ke constateren.

De gemeente beslist niet onder welke categorie (vergunningvrij, vergunningplichtig of meldingplichtig) een bepaald bouwwerk valt. Dat doet de Woningwet en het daarop gebaseerde besluit, zei de gemeente.

De gemeente vergat daarbij de systematiek van de wettelijke regeling. Als de gemeente die zegt dat zij niet mag beoordelen of een bepaald bouwwerk wel of niet onder het meldingsbesluit valt, niet binnen een maand daarover een uitspraak doet, iets waartoe de Woningwet haar zelf noopt, is er een in principe onaantastbare beslissingen gevallen over het bouwwerk: het is een meldingplichtig bouwwerk, ongeacht of het aan de eisen van het Besluit meldingplichtige Bouwwerken voldoet of niet.

Daarmee was het probleem echter nog niet helemaal opgelost. In de Woningwet staat de bepaling dat alleen tegen de daarin bedoelde mededelingen bezwaar kan worden gemaakt bij de Arob-rechter. Die mede delingen zijn zowel de fictieve, die binnen een maand gedaan moeten worden, als de mededeling dat het werk vergunningplichtig en dus niet meldingsplichtig is.

De gemeente vond, dat alleen de eerste mededeling vatbaar is voor beroep en niet de tweede.

De rechter besliste echter, dat hier door de directeur een mededeling was gedaan, die gelijk stond aan de B en W-mededeling dat het bouwwerk valt onder het meldingsbesluit.

Daarom, zei de rechter was die mededeling een -hoewel onbevoegd genomen- beschikking, waartegen wel beroep bij de rechter ingesteld kon worden.

Het voordeel van deze opvatting is, dat de melder nu niet eerst een bouwvergunning had behoeven aan te vragen om een beslissing van de rechter te ke uitlokken over de vraag of het bouwwerk een vergunningplichtig dan wel een meldingsplichtig werk was. In de opvatting van de gemeente zou zulks wel het geval zijn geweest.

Uiteindelijk luidde de beslissing van de Arob-rechter niet alleen dat de Mijdrechtenaar ontvankelijk was in zijn bezwaarschrift, maar hij kreeg ook nog gelijk in zijn procedure tegen de gemeente.

Een volgend probleem dient zich overigens al weer aan na deze uitspraak: De Woningwet bepaalt, dat binnen drie maanden na de ‘al of niet fictieve mededeling’ met de bouw moet worden begonnen.

In hetzelfde vonnis wordt hierover gezegd, dat bij een fictieve mededeling deze termijn begint te lopen op het moment dat door de rechter is geconstateerd, dat een fictieve mededeling is gedaan.

De rechter zegt echter niet op welke manier dat moment moet worden bepaald.

Tussen twee mogelijkheden om dat te doen lagen in deze procedure bijna 10 weken!

(BR 1993 p. 602)

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels