nieuws

TU-ingenieur onvoldoende toegerust voor praktijk

bouwbreed

Nederlandse ingenieurs, die aan een Technische Universiteit (TU) hebben gestudeerd, blijken onvoldoende toegerust voor de beroepspraktijk.

De TU-opleidingen moeten daarom een drastische herstructurering ondergaan, zo vindt de Adviesraad voor Wetenschaps- en Technologiebeleid (AWT).

De raad, een adviesorgaan van de regering, komt tot deze conclusie in het adviesrapport ‘Technici en onderzoekers:kwaliteit en kwantiteit’. De raad baseert zijn meningen op gesprekken met veertig bedrijven waar ingenieurs werken, waaronder Boskalis, Heidemij, Volker Stevin en Rijkswaterstaat.

Momenteel bestaan de universitaire opleidingen uit twee fasen; een eerste van vier jaar gevolgd door een tweede fase van twee jaar. In praktijk doen de studenten gemiddeld 5,8 jaar over de eerste fase. Van de tweede fase wordt vrijwel geen gebruik gemaakt.

Een en ander betekent dat het bedrijfsleven bij de TU-ingenieurs alleen kan kiezen tussen mensen met een eerste faseopleiding en gepromoveerden.

Geen van beiden is echter getraind in het ‘interdisciplinaire systeemgericht ontwerpen’:het in de praktijk ke combineren en toepassen van kennis uit verschillende vakgebieden. Dit terwijl hier juist grote vraag naar is. Het huidige opleidingssysteem blijkt echter in zowel kwalitatief als kwantitatief niet in staat dit type ingenieur af te leveren.

Diepte De AWT pleit daarom voor een herstructurering, waarbij studenten op de TUs de eerste vier jaar een vakgerichte scholing ‘in de diepte krijgen, gevolgd door een tweejarige ontwerpersafdeling met nadruk op training in de breedte. Pas na de tweede fase zou dan sprake zijn van een volwaardig ingenieur die de titel ‘ir.’ verdient. Studenten die na de eer ste fase de universiteit verlaten zouden de titel ‘drs.’ moeten krijgen. De adviesraad pleit verder voor een selectie ‘aan de poort’ van de universiteit. Momenteel vallen teveel studenten af in het eerste studiejaar. Een en ander werkt demotiverend voor de betrokken studenten en docenten.

Daarnaast kan het ook potentiele studenten afschrikken die wel in staat zijn een universitaire studie met succes af te ronden.

Het is goed mogelijk, aldus de raad, dat als gevolg van deze selectie het aantal beginnende studenten aan de TUs afneemt. In het belang van zowel studenten als bedrijfsleven zouden de afgewezen TU-aspiranten worden gestimuleerd een HTO-opleiding te volgen.

De raad is er namelijk van overtuigd dat de HTO-opleidingen in belangrijke ke voorzien in de kwantitatieve vraag naar ingenieurs.

Academisering Over gepromoveerde ingenieurs alsmede ingenieurs van het hoger technisch onderwijs (HTO) heerst bij de afnemers wel tevredenheid. De Adviesraad zegt echter wel bezorgd te zijn over de neiging tot ‘academisering’ van het HTO.

Daarmee komt de door het bedrijfsleven hooggeprezen praktijkgerichte kwaliteit van de HTO-ingenieur onder druk te staan. Het is daarom noodzakelijk het onderscheid tussen hogeschool en universiteit verder aan te scherpen.

Voor wat betreft het tekort aan ingenieurs is de verwachting dat dit de komende decennia verder zal toenemen. De invoering van het vak techniek in het basis- en voortgezet onderwijs is volgens de raad nuttig, maar niet voldoende. “Cruciaal voor de interesse in techniek is dat scholieren in het algemeen voortgezet onderwijs een goede basisopleiding krijgen in natuurwetenschap en techniek.”

De AWT pleit voor de installatie van een nationale commissie die de kwaliteit van het VWO moet onderzoeken.

Hierin zouden vertegenwoordigers uit het onderwijs, de overheid en het bedrijfsleven zitting moeten nemen.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels