nieuws

Stadhuis Apeldoorn joyeus ontwerp van Ruijssenaars

bouwbreed

Nadat architect prof. Hans Ruijssenaars vorig jaar het opvallende casino in Amsterdam opleverde, ontworpen met medewerking van collegas, werd gisteren in Apeldoorn het regionaal veel besproken stadhuis officieel in gebruik genomen. Voor een gemeente van bijna 150000 inwoners werd het een royaal gebouw met een joyeuze hal die men rustig als bovenmodaal kan kenschatsen. De detaillering varieert van heel specifiek tot modieus.

Foto rechts Detail van de centrale hal waarin trappen in elke hoek verdiepingen met elkaar verbinden met daaromheen galerijen en puien naar de binnenplaatsen rond de glasdaken van lokettenhal en raadzaal.

De voorgeschiedenis van het stadhuis in Apeldoorn is kleurrijk verlopen, al is de titel van een driedelig knipselboek ‘Stadhuis Apeldoorn zwart/wit’. Er is veel te doen geweest over de locatie:aanvankelijk bij de eveneens door Ruyssenaars ontworpen Openbare Bibliotheek, later aan de Markt. Het gebouw werd duurder dan gedacht, maar volgens de talrijke bezoekers op de open dagen werd het ook mooier dan was verwacht.

Hoewel Ruijssenaars eerder een indrukwekkende bibliotheek realiseerde, moest hij voor het stadhuis opnieuw een bewijs van architectonische kwaliteit leveren in de vorm van een meervoudige opdracht.

Hij verwierf die opdracht door te winnen van Jo Coenen en Jeanne Dekkers.

Joyeuze Marktwand

Het exterieur onderscheidt zich van de eerder wat verderop in het centrum gebouwde bibliotheek. Dat was een redelijk eenvoudig in gele baksteen opgetrokken gebouw met opvallende architectonische kwaliteit. Het stadhuis is aanzienlijk gecompliceerder. Er kwamen meer architectonische middelen aan te pas die het gebouw kennelijk moeten onderscheiden van het standaard verhuurkantoor uit de sector poontwikkeling. Daar is veel voor te zeggen, maar architectonische kwaliteit lijkt me goed bereikbaar met eenvoud.

Ruyssenaars koos daartoe echter een ander pad in de vorm van een rijk getatoeeerde en als kerstboom opgetuigde gevelwand aan de Markt. Slanke hoge kolommen die relatief weinig dragen moeten het geheel een elegante make-up verlenen, zonder enige bescherming te bieden aan passanten zoals luifels of arcaden dat ke doen. Ze vormen een soort transparant screen als overgangsruimte tussen gebouw en stad. Doordat er plaatselijk nog weer koekoeken zijn toegepast voor de onderverdieping, is de ruimte tussen kolommen en gevel wat loos. Een korte trap naar de entree is wat burgerlijk vorm gegeven.

Overgedetailleerd

Opmerkelijk is de wijze waarop de gele baksteen in de eigenlijke pleingevel een make-up van witte verf kreeg, waarin een ruitpatroon van diagonaal raster over de gevel is uitgespaard. Je houdt het bijna niet voor mogelijk, dat een architect de fraaie baksteen zo opdirkt met een opzichtig aandoende verflaag. In andere bouwdelen is terughoudender met het witten omgegaan. Het verbijsterde me toch eigenlijk, dat een respectabel architect zon goedkoop middel toepast om zijn toch al overdadige vormwil tot uitdrukking te brengen. In schoon metselwerk van twee dicht bij elkaar liggende kleuren baksteen had ik me dat nog voor ke stellen, al blijft het de vraag of er niet te veel in details is doorgeschoten.

Interessant is inmiddels de vraag, of de meervoudige opdracht wellicht tot dit schreeuwerige uiterlijk heeft geleid. De keuze van de mede-ontwerpers kan immers een indicatie van de achterliggende wensen geven. Als men ook Jo Coenen uitnodigt, dan is het duidelijk dat men op z’n minst enig spektakel verwacht, zo mogelijk binnen de financiele draagwijdte van de opdracht.

De schijntoren, dat wil zeggen een rond uitgebouwd bouwvolume met daarop een stalen noodtrap om voornamelijk de vlaggemast te bereiken, is wat exhibitionistisch. Vaag herinnert men zich beelden uit het Russische constructivisme, die overigens meer deden verwachten dat het hier gerealiseerde punnikwerkje in staal. Zo gaat de gevel schuil achter toegevoegde vormwil. Nu waardeert men de bibliotheek extra omdat het gevelbeeld daar zon aangenaam rustig zelfbewustzijn uitstraalt.

Markante hal

De plattegrond van het stadhuis is in hoofdopzet te herleiden tot twee (bijna) parallellopende kantoorstroken die aan de koppen onderling zijn verbonden en in het midden een hal over de hele diepte van het gebouw heeft. De beide ‘binnenplaatsen’

zijn ter hoogte van de vloer van de tweede verdieping overkapt met glas en bieden onderkomen aan de raadzaal en een lokethal op de begane grond.

De centrale hal, ter plaatse als ‘burgerzaal’ aangeduid, strekt zich over de volle hoogte van het gebouw uit. Tussen slanke kolommen lopen vier trappen omhoog, met de nodige variatie in de plattegrond, die ruimtelijk de aantrekkelijk tekeningen van Escher of Piranesi in herinnering brengen. Wanden, kolommen en trappen zijn voornamelijk wit en intrigeren door de ruimtelijke opzet. De sfeer van de grote hal contrasteert aangenaam met de wat gefrustreerde exhorbitantie van de voorgevel. Hier denkt men weer aan de hoge kwaliteit van de centrale vides in de buitengewoon bibliotheek van Ruijssenaars van enkele jaren geleden in Apeldoorn.

Op de verdiepingen zorgen royale galerijen rondom voor een goede interne bereikbaarheid van de verschillende vleugels.

Markthal

De met een glaskap overkapte ruimte terzijde van de hal biedt onderkomen aan de rijen loketten, plaatselijk voorzien van visueel van de hal af te sluiten cabines voor min of meer vertrouwelijke gesprekken.

Men kan er genieten van mooie details als uit stalen profielen opgebouwde cabines en loketten, scheidingswanden die met lichtdoorlatend wit materiaal zijn ‘beglaasd’ en opnieuw trappen, waarvan er een in een open vide naar de onderverdieping loopt. De details van die trappen, met dunne plaatjes wit marmer op de treden, beton voor stootborden en smetstukken en wit geschilderd beton voor balustraden met een hekwerkje van wit en lichtblauw geschilderd staal is trefzeker vorm gegeven.

Dat laatste geldt ook voor de gangen. De beglaasde puien als scheiding laat niet zo heel veel licht door, althans bij bewolkt weer; de schaduw van een plant of wat trullemerullen op een middendorpel verlenen de verkeersruimte toch wat extra kwaliteit. Belachelijk blijft natuurlijk de consequente beglazing met niet transparant materiaal, waardoor men geen kamer binnen kan kijken:men heeft er veel te verbergen in een laat twintigeeuwse democratie.

Koffie- en kopieerhoeken zijn ruimtelijk van verkeersruimten gescheiden door glazen bouwstenen.

Raad- en trouwzaal

De tweede lichtkap aan de andere zijde van de centrale hal biedt onderdak aan de raadzaal. Het vormt een niet geheel geslaagde ruimte omdat deze plaatselijk onder de kantoorvleugels van begane grondhoogte doorloopt, en in het midden een grotere hoogte heeft onder de glaskap.

Een wat arm gedetailleerd lichtarmatuur beschrijft een te grote cirkel waaronder de raadsleden hun zetel aantreffen. Zij zitten op de kostelijke Charles Eames-stoelen uit de Aluminium Group met een fraaie uitstraling. Het publiek bezet de overgeschoten ruimte met eenvoudiger meubilair. Als geheel blijft de ruimtelijke kwaliteit van de raadzaal echter achter bij andere ruimten.

De trouwzaal is wat sober ingeklemd tussen raadzaal en verkeersruimten. Maar de ambtenaar van de burgerlijke stand is niet alleen in een defitige toga gehuld, hij zit op een heuse ladderstoel van de Schotse art nouveau-architect Charles Rennie Mackintosh; het echtelijk paar beschikt over iets eenvoudiger stoelen van Mackintosh. De tafel tussen ambtenaar en paar is in pure high tech van Norman Foster en wekt de indruk dat Ruijssenaar die ook nog eens ergens in zijn architectuur wilde toepassen. Zowel de grote als kleine trouwzaal zijn, eigenlijk evenals de raadzaal, wat krap gehuisvest in weinig specifieke ruimten. Tegenover de prachtige grote hal is dat wat mager.

Architectonische kwaliteit

We discussieren graag ruimtelijk over architectonische kwaliteit (AK), en zo hoort het ook als men over voorbeelden uit de overheidssfeer spreekt. In Apeldoorn wordt de indruk gewekt dat men wel degelijk op AK uit was. Aan de Markt is dat demonstratief geafficheerd in veel drukte en weinig werkelijke inspiratie. Het regionale volk vroeg vormwil en kreeg dat helaas ook.

In de centrale hal en naastgelegen lokethal, maar ook in verkeersruimten treft men een detaillering aan die veel aandacht voor het ontwerp verraadt. Dat steekt uitermate democratisch af tegen de ruimtelijk weinig geslaagde raadzaal. Dat de trouwzalen echter feestelijkheid ontberen, ondanks fraaie Mackontosh-stoelen en de glazige hightech voor de tafel van Norman Foster, is teleurstellend. Maar vergeleken met de raadhuizen van de laatste jaren blijft het ontwerp van Apeldoorn interessant en op onderdelen overtuigend.

Reageer op dit artikel
Lees voordat u gaat reageren de spelregels