nieuws

Wanprestatie zonder gevolgen

bouwbreed Premium

‘Iedere tekortkoming in de nakoming van een verbintenis verplicht de schuldenaar de schade, die de schuldeiser daardoor lijdt te vergoeden, tenzij de tekortkoming de schuldenaar niet kan worden toegerekend.’

Zo luidt de bepaling in ons Nieuw Burgerlijk Wetboek, op grond waarvan de partij bij een overeenkomst, die schade lijdt door de wanprestatie van zijn wederpartij een vordering tot schadevergoeding heeft.

De belangrijkste verandering, die door deze bepaling is aangebracht in de regeling van het oude BW met betrekking tot de schadevergoedingsplicht van hem, die zijn verplichtingen niet nakomt, is dat er bij niettijdige nakoming een ingebrekestelling nodig was. Dat is niet meer zo als tenminste de overeengekomen termijn voldoende duidelijk is en geen vrijblijvend karakter heeft.

Ook nieuw in het BW is de bepaling, dat bij wanprestatie de schuldeiser de oorspronkelijke verbintenis mag omzetten in een tot vervangende schadevergoeding. Dat betekent dus, dat hij dan afziet van bijvoorbeeld de levering van het gekochte en in plaats daarvan de geleden schade vergoed wil hebben. Dat kan alleen niet, zo bepaalt hetzelfde artikel, als de wanprestatie van ondergeschikte betekenis is. Wel kan dan de nevenverplichting tot herstel van een klein gebrek omgezet worden in een tot vervangende schadevergoeding.

Een shcoolvoorbeeld van zon situatie deed zich voor bij de koop van een appartementsrecht in maart 1988, waarbij ook een aannemingsovereenkomst werd gesloten. Daarin werd verwezen naar de technische omschrijving in de verkoopbrochure, waarin de bepaling stond: ‘omdat bij het bouwen van een huis nog veel ambachtelijk werk plaats vindt, behoudt verkoopster zich het recht voor op of aan de opstallen naar haar oordeel noodzakelijke architectonische of technische wijzigingen aan te brengen’. Die wijzigingen zouden geen aanleiding geven tot enige verrekening met de koper. Maar toen die in juli 1989 zijn appartement betrok ontdekte hij, dat op een aantal onderdelen de afbouw van zijn appartement niet helemaal conform de verkoopbrochure was gebeurd.

Zo was in zijn garagedeur geen hardhout aangebracht, maar Noorse den en onder de deuren van badkamer en toilet liepen de hardstenen dorpels niet door tot onder de kozijnstijlen.

Beide afwijkingen, waren zo betoogde de aannemer voor de Raad van Arbitrage, technisch noodzakelijk en daartoe had hij zich uitdrukkelijk het recht voorbehouden.

Het hardhout in de garagedeur was hem, zo vertelde hij aan de arbiter van de Raad, ontraden door de leverancier. Door het grotere gewicht van het meranti zou het mechaniek van de deur op langere termijn negatief beinvloed worden. De houtsoort ‘Noorse den’ onderving dit bezwaar en deze technische verbetering, waartoe hij zich het recht had voorbehouden, deed geen afbreuk aan de waarde van de woning.

Maar dit verhaal pikte de arbiter niet. In de verkoopbrochure was geen enkele specifieke omschrijving van de garagedeur opgenomen. Dit betekende, dat de aannemer zich er niet op kon beroepen, dat hardhout te zwaar zou zijn voor het loopwerk van de garagedeur.

Hij had er maar voor te zorgen, dat hij een goed functionnerende garagedeur leverde, waarvan het stalen frame goed afgestemd was op de hardhouten delen.

De technische noodzaak waarop de aannemer zich beriep vloeide voort, zo constateerde de arbiter, uit zijn eigen keuze voor een stalen garagedeurframe, dat ongeschikt was voor hardhouten delen. Voor de hardstenen dorpels gold precies hetzelfde. De eigen keuze van de aannemer voor Polynorm nastelkozijnen, die overal in de woning waren aangebracht en dus ook zo in de badkamer en in de wc, betekende dat hij zichzelf in de onmogelijkheid had gebracht zijn verplichtingen uit de overeenkomst na te komen. De kozijnen lieten het namelijk niet toe om de dorpels er onder aan te brengen.

De eis tot vervanging van garagedeur en dorpels ging de arbiter echter veel te ver. De aangebrachte deur was volgens hem qua levensduur praktisch gelijk aan die uit de verkoopbrochure, zodat de eis tot vervanging niet opwoog tegen de daarmee gepaard gaande kosten.

Ook de aard en omvang van de werkzaamheden, die nodig waren om de aanwezige dorpels te vervangen door dorpels, die onder de kozijnlijsten zouden doorlopen, stonden in geen verhouding tot het belang van de eigenaar bij een uitvoering overeenkomstig de brochure.

Die uitvoering zou bovendien, zo vond de arbiter, geen wezenlijke verbetering opleveren.

Het argument, dat de niet-doorlopende dorpels de aantasting van de kozijnstijlen door schrobwater zou veroorzaken, nam hij dan ook kennelijk niet serieus.

Beide eisen tot herstel werd daarom afgewezen. Over de vraag of er dan geen verrekening diende plaats te vinden vanwege de wat lagere waarde van het appartementsrecht, liet de arbiter zich niet uit. Omdat dat niet geeist was? Ik denk het niet. Waarschijnlijker is, dat die waardevermindering niet zodanig was, dat de arbiter daarvoor een redelijk bedrag kon vaststellen.

(BR 1993 p. 409)

Reageer op dit artikel