nieuws

Samenwerkingsovereenkomst opgezegd

bouwbreed Premium

Het wekt soms verbazing hoe partijen, die zoveel vertrouwen in elkaar hebben, dat zij tot een vrij langdurige samenwerking besluiten en daartoe een overeenkomst sluiten, bij hun eerste probleem zon overeenkomst niet of niet volledig toepassen.

Overeenkomsten worden immers ook gesloten om van te voren te regelen hoe bij van te voren voorziene situaties partijen die daardoor ontstane problemen willen oplossen.

Maar als die problemen zich voordoen laten zij maar al te vaak na zulke situaties, of althans in welke geest zij dan moeten handelen. Een wel heel duidelijk voorbeeld hiervan vonden wij in een arbitrale uitspraak van vorig jaar zomer.

Een woningbouwvereniging, die in 1990 een aannemer steeds had ingeschakeld voor het service- en mutatie-onderhoud van haar woningbestand ten behoeve van minder validen, sloot in 1991 met die aannemer een vijfjarige samenwerkingsovereenkomst.

Daarbij spraken zij af, dat van 1 januari 1991 tot 1 januari 1996 al het bouwkundige, service- en mutatie-onderhoud en de aanpassing van woningen voor de minder validen, aan de aannemer zou worden opgedragen en dat jaarlijks door de aannemer een standaard kostprijslijst zou worden ingediend voor veelvuldig voorkomende reparaties. Afgesproken werd, dat de partijen elk jaar in december over die lijst overeenstemming zouden trachten te bereiken. Lukte dat niet dan zou de overeenkomst per 1 januari van het daarop volgende jaar geeindigd zijn.

Keurig geregeld

Maar als er situaties ontstaan, waarop niet gerekend is, moeten partijen natuurlijk wel even om de tafel gaan zitten om te zien hoe de daardoor ontstane problemen moeten worden opgelost. En wel in dezelfde geest als waarin de overeenkomst gesloten werd.

Maar eind 1991 gebeurde er iets, waardoor de verhouding tussen partijen kennelijk zo

verslechterde dat er van zon overleg niets terecht kwam. De woningbouwvereniging voelde zich genoodzaakt aan de aannemer een brief te sturen met de mededeling, dat zij minder onderhouds- en mutatie- opdrachten zou ke verstrekken dan de prognoses luidden.

Dat kwam door de vermindering van de subsidies, die de overheid aan dit soort woningen altijd had verstrekt.

Die prognoses waren niet vastgelegd, maar wel af te leiden uit de bepaling in de overeenkomst, dat de woningbouwvereniging jaarlijks een waarborgsom van een ton zou betalen, zijnde 10 procent van de jaarlijkse omzet. Hoewel dat volgens Bartjens zou betekenen, dat uitgegaan moest worden van een jaarlijkse omzet van f. 1 miljoen vond de woningbouwvereniging, dat in 1992 slechts op een omzet van zes tot zeven ton zou mogen worden gerekend.

Dat verklaarde zij tenminste aan de arbiter van de Raad, voor wie op 30 juni 1992 het kort geding diende, dat de aannemer tegen de woningbouwvereniging aanhangig had gemaakt. Hij wilde zo de vereniging dwingen om de overeenkomst zo na te komen, dat met voldoende frequentie werkzaamheden aan hem zouden worden opgedragen en haar tevens te verbieden om zulke opdrachten te geven aan een ander bouwbedrijf.

Maar zoals zo vaak lag de oorzaak van de verstoorde ver houding niet alleen bij een van de partijen. De aannemer had zelf niet voldaan aan zijn verplichting om in december 1991 zijn kostprijslijst in te dienen.

Hoe goed de verhouding in 1991 echter nog was blijkt wel uit het feit, dat de aannemer in dat jaar de kostprijs gebruikte van de aannemer, die voor 1990 het onderhoud aan de woningen nog verrichtte.

Hoewel de woningbouwvereniging in de maanden november 1991 tot januari 1992 vijf keer vroeg waar de kostprijslijst bleef, kreeg zij die pas op 15 februari 1992. Maar de vereniging maakte daar geen punt van en deed ook geen beroep op de beeindigingsclausule in de overeenkomst.

Toen zij de lijst eenmaal had gekregen, bleek op een aantal belangrijke punten een aanzienlijke prijsverhoging te zijn doorgevoerd. Dat was gebeurd zonder enige toelichting, maar aan de arbiter gaf de aannemer toe dat hij in de teruggang van de opdrachten reden had gezien om zijn calculaties naar boven bij te stellen.

De reactie op deze verhogingen was er niet een, die je van verstandige bestuurders van een woningbouwvereniging zou mogen verwachten. Anderhalve maand na ontvangst van de kostprijslijst schrijven zij de aannemer botweg, dat de overeenkomst per 1 januari 1992 als beeindigd moet worden beschouwd, omdat geen overeenstemming over die lijst is bereikt.

Als de emoties wat geluwd zijn verschuiven zij ‘op redelijkheidsgronden’ die datum naar 1 juni en daarna naar 15 juni 1992.

De aannemer blijft onder het een en ander wat rustiger: hij verricht tot die laatste datum alle hem opgedragen werkzaamheden op basis van de voor ’91 geldende lijst zonder enige opslag.

Het aan de arbiter voorgelegde geschil was niet zo moeilijk te beslissen. Ook redelijk met elkaar pratende partijen hadden zelf de door de arbiter aan hen opgelegde beslissing ke bedenken.

Omdat door hen op geen enkele manier geprobeerd was uit hun probleem te komen, hoewel zij zelf overeengekomen waren om ieder jaar te proberen over de kostprijslijst overeenstemming te bereiken en de vertraging in de toezending van die lijst geaccepteerd was, waren beiden verplicht om serieus te proberen alsnog daarover met elkaar overeenstemming te bereiken.

Daaruit volgde zonder meer, dat de woningbouwvereniging niet gerechtgd was de overeenkomst te beeindigen. Wat partijen tussen 15 februari en 15 maart niet hadden gedaan moest daarom alsnog gebeuren. Aan de ene kant diende daarbij de aannemer een adequate verklaring te geven voor zijn prijsverhogingen en aan de andere kant de woningbouwvereniging duidelijk te maken waarom die prijsverhogingen niet acceptabel waren. Voor dat gesprek kregen zij drie weken de tijd.

Mochten ze in die periode niet tot overeenstemming komen dan zou de arbiter wel nader beslissen. Daarbij zou hij meteen kijken of de beeindiging van de overeenkomst achteraf nog kon worden gehonoreerd of dat die als een opzegging dan wel verbreking als bedoeld in de op de samenwerkingsovereenkomst toepasselijke AVKA ’79 kon worden beschouwd.

(BR 1993 p. 323) MR. MATH VERSTEGEN

Reageer op dit artikel