nieuws

Tekortkoming in directievoering

bouwbreed Premium

De aannemer blijft verantwoordelijk voor de uitvoering van het door hem aangenomen werk, zelfs als een gewijzigde uitvoering in opdracht van de directie heeft plaats gevonden of door haar is goedgekeurd.

Dat werd zo uitdrukkelijk bepaald in de Algemene Voorschriften Waterstaat (AVW) van 1938, die er nog aan toevoegden: ‘Een en ander ontheft (de aannemer) in genen dele van de verplichting om het werk naar de eis uit te voeren en tijdig te voltooien.’

Dat was een nogal ongenuanceerde regeling, maar gelukkig worden deze AVW nog maar heel weinig van toepassing verklaard. Het komt eigenlijk alleen nog maar voor als de Algemene Besteksbepalingen gelden, want die van 1964 daterende regeling begint met te zeggen dat -voor zover daarin niet anders bepaald wordt- de AVW op het werk van toepassing zijn.

We hebben tegenwoordig een veel betere regeling dan die AVW; dat zijn de UAV, die bijna altijd op een werk onder directie van toepassing verklaard worden. Deze UAV kennen een veel genuanceerder regeling over de verantwoordelijkheid voor de wijze van uitvoering van een werk onder directie. In die UAV is het immers de opdrachtgever, die niet alleen verantwoordelijk is voor de door hemzelf gegeven orders en aanwijzingen, maar ook voor die, welke namens hem door de directie gegeven zijn.

In de zomer van het vorige jaar moest een -zwaar opgetuigde- Raad zich nog eens buigen over de genoemde regelingen.

De opdrachtgever van een in de zestiger jaren gebouwd flatgebouw sprak zijn aannemer zon 25 jaar na de oplevering ervan nog aan voor de schade, die was ontstaan door het te laag aanbrengen van de wapening in het beton van de galerijvloeren.

De bouw had plaatsgevonden onder de werking van de Algemene Besteksbepalingen van 1945. Onduidelijk is of de wijzigingen van 1948 tot en met 1964 daarbij wel of niet golden, maar voor het geschil was alleen maar van belang de verwijzing in de AB naar de AVW.

In zijn vonnis constateert de Raad dat in die AVW geen regels zijn opgenomen over de aansprakelijkheid van de aannemer na de oplevering. Terecht overweegt hij, dat dit nog niet betekent, dat de aannemer dus niet meer na de oplevering aansprakelijk kan worden gesteld voor wanprestaties, zoals die waarvan hier sprake was.

Daarvoor geldt het gewone recht, zei de Raad, waarbij in de eerste plaats gedacht kan worden aan de in artikel 1645 BW opgenomen regeling over de aansprakelijkheid voor het geheel of gedeeltelijk instorten van een gebouw. Maar die regeling kon hier niet worden toegepast, vond de Raad, omdat het geconstateerde gebrek pas na afloop van de in dat artikel genoemde termijn (tien jaar) aan de orde was gekomen.

Dat is een opvatting van de Raad, die afwijkt van de gewone rechtspraak, want die vindt dat dit artikel geen vervaltermijn bevat voor de aansprakelijkheid van de aannemer, maar een periode, waarbinnen de bewijslast niet op de opdrachtgever rust maar op de aannemer. In zijn jurisprudentie heeft ook de Raad gevonden dat de aannemer ook nog na tien jaar aangesproken kan worden: ‘Aan artikel 1645 komt geen verdere betekenis toe, dan dat gedurende het tijdvak van 10 jaar de bewijslast is omgekeerd’, een duidelijke uitspraak van de Raad uit 1979, die tot nog toe gevolgd bleef. In dit vonnis beslist de Raad daarentegen, dat de tienjarige termijn beslissend is voor de vraag of de aannemer nog aansprakelijk is. Een bewuste koerswijziging of een vergissing van de drie heren?

In dit geval zou, nu artikel 1645 niet meer aan de orde was, de aannemer alleen nog aansprakelijk ke zijn als er sprake was van een verborgen gebrek. Dat was niet het geval zei de Raad, want het werk was onder dagelijks toezicht van de directie uitgevoerd en het te laag aanbrengen van de wapening was niet incidenteel gebeurd, maar systematisch, zodat dit feit in redelijkheid niet aan het toezicht had mogen ontsnappen.

Maar de opdrachtgever had no`g een pijl op zijn boog: hij beriep zich op par. 20 lid 2 AVW waarin zou staan dat tekortkomingen in de direktievoering de aannemer niet ont lasten van zijn verantwoordelijkheid. Dat kan inderdaad afgeleid worden uit de bepaling, in par. 20 lid 2 AVW, dat zelfs een afwijkende opdracht van de directie de aannemer niet ontheft van zijn verplichting om het werk naar de eis (van goed werk) uit te voeren.

De arbiters beslisten echter, dat deze AVW-bepaling niet slaat op de aansprakelijkheid na de oplevering, omdat zon aansprakelijkheid niet in de AVW is opgenomen. Daarvoor moesten we weer naar het gewone recht kijken, maar ook daarin is ‘geen sprake van aansprakelijkheid voor verborgen gebreken, die reeds voor de oplevering hadden ke en moeten worden onderkend.’

Afgezien van de inhoudelijke tegenstrijdigheid in deze overweging (gebreken die al voor de oplevering onderkend hadden moeten worden zijn per definitie geen verborgen gebreken!) valt in deze uitspraak op, dat deze niet-juristen van de Raad uit het ontbreken van een specifieke regeling voor verborgen gebreken in ons recht afleiden, dat dit geen -meer algemeen geformuleerde- regeling zou bevatten voor de aansprakelijkheid voor schade, die het gevolg is van verborgen gebreken.

Als aan de voorwaarden voor het aanwezig zijn van een wanprestatie wordt voldaan is de aannemer volgens ons gewone recht wel degelijk aansprakelijk is voor de schade die daarvan het gevolg is.

Als drie, al dan niet gestudeerde, arbiters het gewone recht willen toepassen (iets dat uitdrukkelijk niet hun opdracht is) moeten ze dat natuurlijk wel kennen. Nu komen ze op grond van een onjuiste veronderstelling tot hun afwijzing van de schadevergoedingseis van de opdrachtgever.

(BR 1993 p. 321.) MR. MATH VERSTEGEN

Reageer op dit artikel