nieuws

De ‘Gooische Moordenaar’ staat weer op de rails

bouwbreed Premium

Vanaf tweede Paasdag rijdt de Museum Stoomtrein ‘De Gooische weer in Hoorn-Medenblik-Enkhuizen. Deze stoomtram heeft de bijnaam de ‘Gooische Moordenaar’ en maakt sinds 1968 onder nummer 18 deel uit van het Stoomtrammuseum te Hoorn.

Hij vormt het middelpunt op de jubileumtentoontelling 1968-1993 onder het thema ‘Vreemde voorvallen’.

De Gooische was zelf eigenlijk zon vreemd voorval. In 1877 stelde de heer Hirschman aan het gemeentebestuur van Watergraafsmeer voor een stoomtram tussen Amsterdam en Utrecht over de Weesperzijde te laten rijden. Dit voorstel werd afgewezen omdat de vroede vaderen van de Meer dachten dat de Weesperzijde te zwak zou zijn om het ‘zware materiaal’ te dragen. Wel werd vergunning verleend aan de NV Gooische Stoomtram om door de Meer te rijden. De initiatiefnemer daartoe was de Haagse ingenieur Cornelis Bok die in 1880 de maatschappij NV Gooische Stoomtram oprichtte.

De feestelijke opening van het eerste baanvak AmsterdamDiemerbrug, een afstand van 4,7 km, vond plaats op 17 mei 1881. De genodigden werden door twee versierde tramtreinen, ieder van twee rijtuigen, naar Diemerbrug en terug gereden. Op het stationsplein voor het Weesperpoortstation lag het beginpunt van de route.

Deze voerde langs de spoorbaan tot de Oeterwalerweg (Linnaeusstraat) en daarna over de Middenweg en de Hartveldsebrug naar het eindpunt Diemerbrug. Toen het publiek zich op 18 mei van deze lijn kom bedienen vermeldde de dienstregeling een halfuurdienst van 7 uur ’s morgens tot 10 uur ’s avonds. De tram bereikte op 2 juli 1881 Muiderberg en op 20 augustus arriveerde zij in Naarden, 21 kilometer van het Weesperpoortstation.

De Gooische Stoomtram beschikte op 31 december 1882 over 16 locomotieven, 41 personenrijtuigen en 17 gesloten en open goederenwagens. Met de opening van het traject Naarden-Laren via Craailoo, met aansluiting op de lijn Hilversum-Laren-Blaricum-Huizen op 15 april 1882 was de tramweg met een totaal van 37,5 km voltooid. De exploitatierekening van de Gooische Stoomtram liet in het begin niets te wensen over. Het schitterende financiele succes der Maatschappij blijkt uit het eerste jaarverslag (1881).

Maar weldra kwamen er moeilijkheden, ontstaan door uitgaven voor lijnuitbreiding en aanschaffing van rollend materiaal. De zaak bleek te grootscheeps opgezet; de aanlegkosten waren te hoog opgevoerd, de hoeveelheid aangeschaft materiaal was te groot, het personeel te talrijk en de lonen waren te hoog.

Omstreeks 1900 begon het Gooi zich steeds meer als forensenwoonoord te ontwikkelen en hierdoor nam het reizigers vervoer aanmerkelijk toe.

De Gooische Stoomtram voerde in 1908 als noviteit een stoomrijtuig in. Maar aan de alleenheerschappij der stoomtractie kwam in 1924 een ein de. Op 7 oktober van dat jaar maakte een stoommotorrijtuig voorzien van een 75 PK benzinemotor een proefrit van Amsterdam via Muiderberg en Laren naar Hilversum. Een jaar later echter kwam er een gevaarlijke concurrent van de Gooische opdagen:de autobus.

Het publiek gaf daaraan langzaam maar zeker de voorkeur boven de stoomtram. De doodsteek kwam in 1938 toen de toenmalige minister van Waterstaat besloot het railbedrijf om te zetten in een autobusdienst. Dit betekende de ondergang van de Gooische en daarom nam directeur Augustijn ontslag. Ook zijn opvolgers konden het bedrijf niet redden.

De tramdienst Amsterdam-Laren-Hilversum werd 15 oktober 1939 opgeheven. Sinds 1968 maakt de ‘Gooische Moordenaar’ met de beroemde ‘Bello (die tot 1955 tussen Bergen en Alkmaar reed) deel uit van het thans jubilerende Stoomtrammuseum in Hoorn.

Reageer op dit artikel