nieuws

Winston Churchill als metselaar

bouwbreed Premium

Toen Winston S. Churchill (1874-1965), in de oorlog de grote tegenspeler van Hitler, op 10 mei 1940 werd benoemd tot premier van GrootBrittannie was hij 65 jaar oud en had hij al een leven vol afwisseling achter de rug. Een leven dat meer dan gevuld was geweest met zijn activiteiten als militair, oorlogscorrespondent, journalist, politicus, staatsman en schrijver van historische werken.

Tussen 1908 en 1940 was hij achtmaal minister, telkens op een ander departement en voor periodes van verschillende duur. In 1922 verloor hij bij de verkiezingen zijn parlementszetel die hij in 1924 weer terugwon. Het was in dat laatste jaar dat hij zich ging bezighouden met Chartwell, het landhuis met tachtig morgen land dat hij voor Bpnd 5000 (in toenmalige Nederlandse valuta circa f. 60000) had gekocht. Het geld dat hij ervoor had betaald, kwam uit de opbrengst van het door hem geschreven boek over de eerste wereldoorlog (Worldcrisis, vier delen).

Chartwell had, zoals zijn dochter Sarah schrijft, toebehoord aan koning Hendrik VIII, was gebouwd van rode baksteen, had een fraaie ligging tegen een helling en bood onvergetelijke vergezichten. Het door latere eigenaars vergrote huis had twintig jaar leeg gestaan en was geheel met klimop overwoekerd toen Churchill het kocht. Begrijpelijk dat er het een en ander aan op te knappen en te veranderen viel om het bewoonbaar en gerieflijk te maken.

Dat Churchill daarbij zelf aan de slag ging, leverde hem echter geheel onverwachte problemen op, zoals blijkt uit de levensbeschrijving door Robert Lewis Taylor. Toen hij op zekere dag twee metselaars in de weer zag bij het herstellen van een bijgebouw, greep hij na een poosje zelf een troffel en begon te metselen. De voorman wees hem erop dat men lid moest zijn van de vakbond als men werkzaam wilde zijn als metselaar. Daarop oefende Churchill net zolang tot hij twee stenen per minuut kon metselen en vroeg toen het lidmaatschap bij de bond aan.

Dat werd hem niet zo maar verleend, omdat een plaatselijke afdeling van de vakbond zijn aanmelding opvatte als “een gevaarlijke en vernederende klucht” . Maar Churchill liet zich niet afwijzen, drukte zijn aanvraag door en betaalde zijn eerste wekelijkse bijdrage van negen shilling.

Zijn vroegere huisknecht Norman McGowan vertelt in zijn boekje met herinneringen dit verhaal een beetje anders. Volgens hem baarde Churchills persoonlijk aandeel in de uitbreiding en renovatie van Chartwell in 1928 zon opzien dat de secretaris-generaal van het Verenigd Vakverbond hem dringend aanraadde zich als lid van de vakvereniging aan te melden, als hij zich verder met metselen wilde bezighouden.

Churchill ging daarop in, werd als ‘volwassen leerling’ aangenomen en betaalde een contributie van vijf shilling.

Dat viel echter niet overal in goede aarde. Door de heersende werkloosheid waren de vakbonden er bijzonder op gebrand zwart werken -blijkbaar al een oud zeer- tegen te gaan. In resoluties van plaatselijke afdelingen nu werd gesteld dat Churchill alleen voor de grap lid was geworden om de beweging in diskrediet te brengen. De eigenaar van Chartwell trok zich van dat hele tumult niets aan en ging onverstoorbaar door. Zelf omschreef hij zijn bijdrage aan het vernieuwde Chartwell als volgt: “Eigenhandig bouwde ik een groot deel van twee paviljoens, een lange muur om de moestuin, legde allerlei rots- en waterpartijen aan en een groot zwembad, gevuld met helder, gefilterd water, dat verwarmd kon worden.”

Maar, zoals Sarah opmerkt, er werden soms grote en kostbare fouten gemaakt. Dat speelde niet bij de bouw van de befaamde muur. “Misschien”

zegt zij, “omdat vaklieden de funderingen legden en de muur eerst tot kniehoogte opbouwden. Daarna belastte mijn vader zich met al het metselwerk. Hij had natuurlijk de beschikking over een echte metselaar en ik was zijn jongmaatje. Het was mijn taak hem de stenen aan te geven en ervoor te zorgen dat er steeds voldoende natte cement voorhanden was; bovendien moest ik met behulp van het schietlood geregeld controleren of de muur recht stond. In het begin liep het natuurlijk niet allemaal van een leien dakje.”

Toch moet er goed werk zijn geleverd. “Het is iets dat u gezien moet hebben om erin te geloven” , zegt de Amerikaanse auteur Paul Gallico. De vier meter hoge muur omsluit een boomgaard, tuinen en gazons, loopt tegen een helling op en eindigt bij een compleet huis met woonkamer, keuken, bijkeuken, vier slaapkamers en een badkamer. Dat is -voor alle duidelijkheid- een woning op het landgoed. Huize Chartwell zelf, waar Churchill met zijn gezin woonde, telde naast een ruime hal en ontvangstzalen, onder meer negentien slaap- en kleedkamers, acht badkamers, een grote studio, drie garages, drie bijgebouwen en stallen. Niet bepaald een stulpje op de hei dus.

Volgens Walter Graebner, die hem van nabij gekend heeft, gaf Churchill het metselen als hobby op toen hij met alle muren en bijgebouwen van Chartwell klaar was. Op gevorderde leeftijd werd het hem ook te vermoeiend, maar de eenmaal verworven vaardigheid wilde hij kennelijk niet verliezen, want aldus Graebner “een keer per jaar mengde hij wat kalk en metselde hij enkele stenen op elkaar, om voor zichzelf het bewijs te leveren, dat hij de kunst nog niet had verleerd.”

Reageer op dit artikel