nieuws

Kaderwet geeft regio nog veel te weinig daadkracht

bouwbreed Premium

De huidige discussies over ruimtelijke inrichtingspoen zoals de nieuwe regionale luchthaven bij Rotterdam, het gebrek aan afstemming op de kantorenmarkt, de trage ontwikkeling van woningbouwlocaties en de problemen met de ruimtelijke inpassing van infrastructuur tonen aan dat het openbaar bestuur kampt met een gebrek aan daadkracht. Met de ontwerp-Kaderwet bestuur in verandering wordt in deze situatie onvoldoende verbetering gebracht.

Dit concludeert de Raad van Advies voor de Ruimtelijke Ordening (RARO) in een advies over de ontwerp-Kaderwet. De Kaderwet vloeit voort uit de beleidsnotitie Vernieuwing Bestuurlijke Organisatie, beter bekend als BoN III.

Doel ervan is de positie van het regionaal bestuur te versterken in de zeven samenwerkingsgebieden rond Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven-Helmond, Enschede-Hengelo en Arnhem-Nijmegen.

Versterking is volgens het kabinet nodig om beter uitvoering te ke geven aan het overheidsbeleid uit bijvoorbeeld de Vierde nota Ruimtelijke Ordening Extra en het Tweede Structuurschema Ver keer en Vervoer. De RARO t dat die noodzaak er is.

“Er is een gebrek aan daadkracht door een verouderde bestuurlijke organisatie en door trage en ondoorzichtige besluitvormingsprocessen. Er is een structurele onderschatting van de ernst van de problematiek.”

“Een goede bestuurlijke samenwerking op stadsgewestelijk niveau is een absolute noodzaak voor de realisering van het verstedelijkings- en mobiliteitsbeleid” , aldus de Raad. “Alleen met krachtig regionaal bestuur hebben de VINEX-startconvenanten en uitvoeringscontracten kans van slagen.”

Vraag

De vraag is echter of het gestelde doel, een krachtig, effectief en doorzichtig bestuur, met de Kaderwet wordt bereikt. Volgens de RARO is dat niet het geval.

Hij vindt de Kaderwet een zeer omvangrijke en mede daardoor zeer gecompliceerde en ondoorzichtige wet. “De Kaderwet draagt niet bij aan een vereenvoudiging van onze bestuursinrichting.”

Oorzaak hiervan is vooral het onderscheid dat wordt gemaakt tussen het Regionaal Openbaar Lichaam (ROL) en de Regionale Gebiedsautoriteit (RGA). Het ROL fungeert als overgangsfase en dient ertoe de regio-gemeenten in staat te stellen een gemeenschappelijke opzet voor het regio-bestuur en -beleid te formuleren.

De RGA gaat een stap verder en voorziet in de inrichting van een min of meer zelfstandig regio-bestuur.

Overbodig

Volgens de RARO is het Regionaal Openbaar Lichaam overbodig. De Raad wijst erop dat sommige regios, zoals bijvoorbeeld Haaglanden, al hard op weg zijn naar de inrichting van een RGA.

Bovendien is de ROL ‘vlees noch vis’. Er wordt wel een verplichting opgelegd tot de vaststelling van een regionaal structuurplan, maar het orgaan krijgt geen instrumenten om het plan te handhaven.

De ROL-fase kan worden overgeslagen, constateert de RARO. De aangescherpte Wet Gemeenschappelijke Regelingen biedt voldoende mogelijkheden voor gemeenten om in een regio samen te werken als tussenstap naar een RGA.

Bevoegdheid

Zon RGA moet een ruime bevoegdheid krijgen op het gebied van de uitwerking van ruimtelijk beleid. De RARO meent dat er in de nieuwe opzet eerst op provinciaal niveau een streekplan moet worden vastgesteld.

Dat wordt vervolgens door de RGAs vertaald in Regionale Structuurplannen (RSP’s), die -na goedkeuring door de provincie- dezelfde status als de huidige streekplannen krijgen.

Op basis van deze RSP’s worden de gemeentelijke bestemmingsplannen getoetst.

Overigens merkt de Raad op dat er in de Kaderwet ten onrechte geen rekening is gehouden met de kosten van een dergelijke bestuurlijke reorganisatie. De ervaringen in de Rotterdamse regio leren dat er veel problemen om de hoek komen kijken. Een hogere rijksbijdrage in de ‘frictiekosten’ is in dit verband dan ook noodzakelijk, aldus de RARO.

Reageer op dit artikel