nieuws

Gemeenten gaan voorbij aan woning tot twee ton

bouwbreed Premium

Gemeenten houden onvoldoende rekening met het rijksbeleid dat uitgaat van een verlaging van de woningbouw in de licht-gesubsidieerde sector. De afnemende betrokkenheid van het rijk bij dit marktsegment wordt in de gemeentelijke woningbouwplanning niet gecompenseerd door de bouw van meer ongesubsidieerde woningen in de prijsklasse tussen f. 140000 en f. 200000.

Dit wordt geconcludeerd in het rapport ‘De licht-gesubsidieerde woningsector onder de loep’

van het Directoraat-Generaal van de Volkshuisvesting. Doel van het onderzoek, dat is verricht door de Directie Onderzoek en Kwaliteitszorg van het DGVH, was na te gaan hoe de positie van het licht-gesubsidieerde middensegment van de woningmarkt wordt beoordeeld door de partijen die bij de realisatie ervan zijn betrokken.

In de middenklasse, woningen tussen de f. 140000 en f. 200000, vindt de nieuwbouw grotendeels gesubsidieerd plaats. Het gaat dan om drie woningtypen: de vrije sector koopwoning met een eenmalige bijdrage van f. 5000; de vrije sector huurwoning met een eenmalige bijdrage van f. 5000 en de premiehuurwoning met een bijdrage van f. 10000, gespreid over tien jaar.

Het budget voor deze licht-gesubsidieerde sector is de laatste jaren bijna gehalveerd.

Werd er in 1988 nog circa f. 180 miljoen voor uitgetrokken van de f. 1,6 miljard die voor nieuwbouw beschikbaar was op de begroting van het ministerie van VROM, in 1991 was daar nog slechts minder dan f. 90 miljoen van over (bij een totaal budget van f. 1,3 miljard).

Geen subsidie

Daar komt bij dat het rijksbeleid sinds 1992 erin voorziet dat het nog beschikbare budget voor ten minste 90% wordt ingezet in de stadsgewesten.

Een groot aantal gemeenten krijgt dus geen subsidie meer voor nieuwbouw van woningen in de middenklasse.

De onderzoekers verwachten dat dit zal leiden tot een gat in de woningmarkt. Gemeenten die werden geconfronteerd met een afname van het contingent zijn weliswaar per saldo wat meer in de ongesubsidieerde sector gaan bouwen, maar niet in het goedkopere segment, tot f. 190000.

In de stadsgewesten, waar de woningbouw in de ongesubsidieerde sector in de periode 1988-1992 is verdubbeld, bleef de licht-gesubsidieerde nieuwbouw constant. Er vond geen verschuiving plaats naar meer goedkope ongesubsidieerde woningen.

Hetzelfde beeld komt terug bij vergelijking van de gemeentelijke bouwplanningen. Daaruit blijkt dat nog onvoldoende rekening wordt gehouden met de afnemende betrokkenheid van het rijk bij de nieuwbouwproduktie in het middensegment.

In de meeste gemeenten wordt dit niet gecompenseerd met de bouw van meer ongesubsidieerde woningen. Uitzondering vormen de stadsgewesten, die uitgaan van een aanzienlijke toename van de ongesubsidieerde sector en meer oog hebben voor de bouw van goedkope woningen.

Belangstelling

De gemeenten kijken voor de nieuwbouw van koopwoningen in de middenklasse vooral naar de bouwondernemers en poontwikkelaars.

Ruim 75% van de gemeenten, die in het kader van het onderzoek zijn gepolst, is van mening dat de marktpartijen hier makkelijk voor te interesseren zijn.

Door vrijwel alle ondervraagde gemeenten en poontwikkelaars wordt gesteld dat de eenmalige bijdrage van f. 5000, die voor dit type woningen wordt gegeven geen invloed heeft op de vraag.Maar natuurlijk is de bijdrage ‘mooi meegenomen’. Van de bewo ners zegt 75% dat de woning ook zonder subsidie zou zijn gekocht.

Het onderzoek toont overigens wel aan dat de vrije sector koopwoning met eenmalige bijdrage een belangrijke doorstroomfunctie vervult. Het doorstroomrendement is vrijwel gelijk aan dat van de sociale koopwoning. Ongeveer 60% van de nieuwe kopers komt uit een huurwoning.

Ook het effect op de bestrijding van de scheefheid is gelijk aan dat van de sociale koopwoning. Van de honderd nieuwe woningen worden er bijna twintig gekocht door huishoudens die voorheen te goedkoop woonden.

Vrij unaniem is het oordeel dat de premieregeling in de lichtgesubsidieerde koopsector nauwelijks bijdraagt in het stimuleren van de vraag. Het overgrote deel van de gemeenten denkt dat in het middensegment gebouwd zal blijven ook als de regeling niet meer zou bestaan.

Dat geldt niet voor de huurwoningen in dit segment. De interesse voor de bouw van premiehuurwoningen is de afgelopen jaren al afgenomen door het terugtrekken van verzekeringsmaatschappijen, wijzigingen in de beleggingsportefeuille en door kleinere en daardoor bewerkelijker poen. Pensioenfondsen noemen woningbouw een redelijk stabiele en betrouwbare beleggingsmogelijkheid, maar blijven zeer rationele afwegingen maken.

Reageer op dit artikel