nieuws

Duik in zilveren geheimen van het Vliegend Hert

bouwbreed Premium

Tussen 1602 en 1795 heeft de VOC ongeveer f. 600 miljoen aan contanten naar Azie vervoerd. Daarnaast is ook een aardig bedrag aan zilveren munten gesmokkeld. Ongeveer 1 procent van alle VOCschepen haalde de bestemming in Azie niet. In februari 1735 verging het Vliegend Hert met man en muis in de monding van de Schelde. Met vondsten uit het wrak is nu voor het eerst bewezen dat er ook geld werd gesmokkeld.

Klompje gouden dukaten uit 1729.

De kapitein tekent voor ontvangst van de kisten met geld.

In schriftelijke bronnen was daar wel melding van gemaakt, maar nog niet eerder waren er handzame houten kistjes en blikken gevonden met zilvergeld dat nergens op de ladingslijsten stond. In het Penningkabinet te Leiden is tot 31 januari 1994 een tentoonstelling te zien waar de geschiedenis van het Vliegend Hert en het smokkelgeld wordt belicht. De tekeningen van Gieb van Enckevort zorgen ervoor dat de getoonde voorwerpen nog meer aanspreken. De miljoenen ducaten en realen werden gebruikt om in Azie zijde, thee, nootmuskaat en foelie te kopen. De verkoop van deze produkten op de Europese markt leverde forse winst op. De goederen moesten met goud of zilver worden betaald.

Het hoofdbestuur van de VOC werd gevormd door de Heren Zeventien, een college van vertegenwoordigers uit de zes lokale Kamers. Zij stelden vast dat de Kamer Zeeland in 1734 f. 500000 moest vervoeren verdeeld over negen schepen.

Een van de schepen zou het Vliegend Hert zijn. De notulen van deze vergadering zijn te zien op de expositie.

Samuel Rademacker, bewindhebber en thesaurier van de Kamer Zeeland werd belast met het bijeenbrengen van het geld voor het Vliegend Hert. Rademacker huurde Isaac Westerveen in om het geld in Amsterdam aan te kopen. “Wij Thezauriers der Oost-Indische Compagnie Kamer Zeeland en Isaac Westerveen koopman tot Amsterdam, verklaaren te weesen afgesproken ende verdraagen wegens het koopen, beleenen, lossen en afzenden van specien goud en zilver.” De ruim f. 65000 was verdeeld in zakken met duizend munten. In een overzicht van het VOC staat vermeld dat het Vliegend Hert voor f. 31800 aan gouden dukaten en f. 35012 aan zilveren ‘mexicanen’ aan boord kreeg. Om risicos te beperken, werd het geld in kleine partijen naar Middelburg vervoerd.

Zeildoek

Het Vliegend Hert was medio 1734 in de haven van Vlissingen teruggekeerd van het eerste reis naar Indie. Kapitein Cornelis van der Horst was tijdens de reis verantwoordelijk voor het geld. Op een vrachtbrief tekende hij voor ontvangst van de zakken geld verpakt in drie grote kisten, verklarende: “dat ons ten genoegen toegewogen en toegetelt zijn waaraan ider kist twee slooten zijn gehangen en met ons gewoon cachet verzegeld, verder met zeildoek omspijkert en met touwen omwonden” . Tijdens de berging zijn inderdaad resten van zeildoek en touw aangetroffen aan de buitenkant van de kisten. De drie kisten, waarvan er overigens een is bewaard gebleven, wogen ruim duizend kilo. Ze werden in de hut van de kapitein vastgezet om verschuiven tijdens een storm te voorkomen.

Geld was het belangrijkste handelsgoed dat op de heenreis aan boord werd gebracht. Naast het officiele geld werd smokkelgeld aan boord gebracht. Door het constante gebrek aan zilveren munten in Azie, lag de koers van het geld daar veel hoger. Koerswinst was dan ook het doel van dit ‘zwarte geld’. Het

rige materiaal was bestemd voor consumptie door de Nederlanders in Azie. Zo werden degens en muskuten meegenomen voor bewapening van het VOC-leger. Pijpen en wijn waren voor de heren In Batavia en de Buitengewesten. Alleen voor het meegevoerde Leidse laken was er een kleine afzetmarkt. Als ballast werd lood geladen dat soms werd verkocht.

Voor de bemanning van 250 mensen en de zes passagiers werd voor gebruik tijdens de reis ook het een en ander meegenomen.

Meer dan 10000 kilo vis, vlees en spek werd aan boord gebracht, evenals 33 levende varkens en twaalf schapen. Verder hield men het leven bij water, wijn, bier en jenever, brood en kaas, rijst, erwten, gort en olie. Om onderweg verse groente te ke oogsten, werden zelfs een paar ‘tuintjes’ ingericht. Het duurde weken voordat alle voorbereidingen waren getroffen.

Op 3 februari 1735 lichtte het schip rond 2 uur de ankers. Vlak buiten de haven liep het Vliegend Hert op een zandbank. Het waterpeil en de wind waren verkeerd ingeschat en om 5 uur zat het 44 meter lange schip muurvast op de zogenoemde drempel van de Deurloo. Bij de opkomende vloed raakte het weer los, maar de beschadigingen waren zo groot dat het Vliegend Hert om 11 uur ’s avonds met man en muis verging. Ook de tegelijkertijd vertrokken Anna Catharina viel ten prooi aan de golven.

Luizenkam

Kort daarna lieten de bewindhebbers van de Kamer Zeeland nagaan of er nog iets van de schepen en hun lading gered zou ke worden. Uit de archieven blijkt dat tijdens een vergadering op 10 februari al de naam werd genoemd van een mogelijke duiker. In de zomer van 1735 werden verschillende pogingen gedaan om kostbaarheden te bergen. In 1736 sloot de Kamer Zeeland een contact met de duiker William Evans. De expeditie leverde een kanon en flessen wijn op. Verder kwam een groot aantal voorwerpen naar boven zoals:een tinnen lepel, een ivoren luizenkam, een benen tandenborstel en een koperen pan. Al deze voorwerpen zijn te zien op de tentoonstelling. De expeditie kostte de Kamer f. 275, maar leverde buiten de voorwerpen niet het gezochte geld op.

De plekken waar de schepen vergingen, werden in 1735 op kaart vastgelegd.

Maar het zou tot 1977 duren voordat een historisch cartograaf deze details op de kaart opmerkte. In 1981 werd de locatie van het Vliegend Hert in de monding van de Schelde vastgesteld. Vanaf 1982 wordt iedere zomer een aantal weken onderzoek verricht. Het duikteam wordt echter belemmerd door het troebele water en de sterke stroming. Tot nu toe is alleen een deel van het achterschip onderzocht. De resultaten zijn toch zo verrassend dat gaande het onderzoek al een tentoonstelling is ingericht. Tot op heden zijn 5000 gouden dukaten en 9000 zilveren realen geborgen. Vorig jaar werd een van de geldkisten intact aangetroffen. Zowel een groot deel van de munten als de geldkist pronken op de tentoonstelling.

In het midden van de expositieruimte staat een tafel opgesteld met twaalf munten die iedereen in de handen mag houden en zo goed kan voelen en bekijken. Op de zilveren ducaten en realen zijn duidelijk afbeeldingen en jaartallen te onderscheiden. Bij ieder van de munten staat een bordje met uitleg over de munt en de waarschuwing dat door doorboring de munt waardeloos is geworden.

Smokkel

Een verassende vondst van het duikteam was een groot aantal dozen met ducatons of zilveren rijders, waarmee plotseling het fenomeen ‘smokkel’ werd bevestigd. Deze munten stonden nergens in de verzendingsgegevens vermeld en ook de verpakking in dozen en blikken weken volledig af van de voorgeschreven regels van de VOC. Alle dozen werden tamelijk dicht bij elkaar gevonden, niet ver van de plaats van de VOC-geldkisten. Dit wijst er volgens de onderzoekers op dat het smokkelgeld ook in de kajuit van de schipper heeft gestaan. Dit in combinatie met de waarde van de munten en de stempels op de kisten, duidt erop dat het ‘zwarte geld’ eigendom was van officieren en onderofficieren. Ook de bewindhebbers van de VOC zijn waarschijnlijk betrokken geweest bij de dit illegale geldtransport.

De tentoonstelling ‘De schat van het Vliegend Hert, Compagniesgeld uit een VOCschip’ is tot 31 januari 1994 te zien in het Rijksmuseum Het Koninklijk Penningkabinet, Rapenburg 28 te Leiden. De toegangsprijs bedraagt f. 3,50. Kinderen, CJP en 65+ betalen f. 2. Het museum is open van dinsdag tot en met zaterdag tussen 10 en 5 uur. En op zon- en feestdagen van 12 tot 5 uur. Elke woendag tussen 2 en 5 uur is er een museumspreekuur. Bij de tentoonstelling is een gelijknamige catalogus verschenen, geschreven door Arent Pol. De kosten daarvan bedragen f. 24,90.

Reageer op dit artikel