nieuws

Westen vecht om groeiende bouwmarkt Oost-Europa

bouwbreed Premium

Na bijna tien magere jaren in de Oosteuropese bouwsector ziet het er nu naar uit dat vanaf de tweede helft van 1993 de conjunctuur op gang komt. Westerse bouwconcerns krijgen de kans ervan te profiteren. Op dit moment is al een strijd gaande tussen de Westerse landen om de Oosteuropese bouw en infrastructuur.

De daling van de conjunctuur, uitmondend in een crisis in de Oosteuropese bouwsector, begon reeds voor de grote politieke veranderingen. Vanaf 1985 liepen de grote staatsinvesteringen en de subsidies drastisch terug en hielden omstreeks 1990 bijna helemaal op. Sindsdien bedroeg de jaarlijkse teruggang overal minstens 10 procent. Anno 1993 lijkt deze teruggang tot staan te zijn gebracht en zijn er voortekenen van een nieuwe bloei.

Dat signaleren onder andere Laszlo Koji, directeur van de grootste Hongaarse organisatie van bouwbedrijven EVOSZ, het Slowaakse en het Tsjechische ministerie van economische zaken en de Poolse kamer voor de bouwsector.

Oorzaken Deze verwachte veranderingen hebben uiteenlopende oorzaken. Sinds 1989 is er veel Westers kapitaal naar Oost-Europa gevloeid, in ieder geval naar Hongarije, Tsjechie, Slowakije en Polen , ook bekend als de ‘vier van Visegrad’. Inmiddels is het grootste deel van de Oosteuropese voedselindustrie via privatisering overgenomen en gingen aanzienlijke Westerse kapitalen naar de voertuig- en de machine-industrie. Ook is een groot deel van de distributieketens overgenomen en verschijnen er dagelijks nieuwe benzinestations.

De in Oost-Europa aanwezige Westerse bedrijven beginnen nu opdrachten te geven aan de bouwsector. Het gaat hier veelal om investeringen, die moderne technologie en grote financiele middelen vereisen.

Mede daarom geven deze in Oost-Europa opererende Westerse bedrijven hun opdrachten bij voorkeur aan andere Westerse ondernemingen. Een andere reden is dat ze kwaliteit en precieze levertijd eisen, waaraan de Oosteuropese bouwfirmas vaak niet ke voldoen. Een ander probleem is vaak dat de bouwer de benodigde produkten moeilijk op de Oosteuropese markt kan vinden. Om bijvoorbeeld wapeningsstaal op maat te krijgen moet men in Oost-Europa de maten minstens een half jaar van te voren opgeven en vooruit betalen, terwijl Oostenrijkse en Italiaanse fabrieken binnen twee weken ke leveren. Bovendien zijn bouwprodukten in het Westen vaak al goedkoper dan in Oost-Europa.

Crediet Een ander belangrijke reden waarom Westerse bedrijven gemakkelijker een opdracht krijgen dan de Oosteuropese ondernemingen zelf is dat ze gemakkelijker en veel goedkoper crediet in harde valuta ke krijgen. Lenen in Oost Europa is duur en de inflatie is onberekenbaar. Daarom is het heel moeilijk crediet te krijgen of er in de financiele planning rekening mee te houden. Het is dus geen wonder dat Oosteuropese bouwbedrijven staan te springen om Westeuropese partners. Tot begin 1993 is al bijna f. 0,5 miljard geinvesteerd in Oosteuropese bouwondernemingen door middel van overnames, fusies, gezamenlijke bedrijven of door de opzet van een geheel eigen bedrijf.

De ontwikkelingen in de voormalige Sovjet-Unie vallen buiten dit kader. Al deze feiten zijn dus gunstig voor de Westerse bouwbedrijven. Men kiest meestal bedrijven die al ervaring hebben op de Oosteuropese markt en daar liefst ook nog met een eigen bedrijf aanwezig zijn.

De andere oorzaak van de aantrekkende conjunctuur ligt in de grote infrastructurele plannen van de Oosteuropese regeringen, vaak in de vorm van concessies. Die richten zich in de eerste plaats op autosnelwegen en telecommunicatie.

Op beide gebieden komt al in 1994 een totaal aan opdrachten (tenders) op de markt ter waarde van ruim f. 3,5 miljard.

Bij deze staatsopdrachten genieten Oosteuropese firmas of in Oost-Europa gevestigde gezamenlijke bedrijven tussen oost en west de voorkeur. Ook investeringen in nutsvoorzieningen als waterleiding, riolering en afvalverwerking door de lagere overheden komen nu op de markt in de vorm van tenders en orders. Men moet echter hierbij niet blind blijven voor het feit dat er ook corruptie is bij het verwerven van staatsorders of het winnen van tenders uitgeschreven door regeringen of lagere overheden.

Concurrentie Welk Westers land krijgt de komende jaren de hoofdrol in de Oosteuropese bouwsector?

Daarover is nu duidelijk een concurrentiestrijd gaande. De afgelopen drie jaar werd de markt gedomineerd door de Oostenrijkers:30 procent van de Oostenrijkse bouwsector leefde van de Oosteuropese markt. Bij een aantal bedrijven kwam bijna de helft van de omzet uit Oost-Europa. De op een na grootste Oostenrijkse bouwonderneming Maculan Holding slaagde erin een groot deel van de markt in de vroegere DDR in handen te krijgen, goed voor 40% van haar omzet. Maculan boekt een jaarlijkse omzet van om en nabij f. 1,7 miljard. De Karinthier Robert Rogner kreeg de renovatie van Hotel National in Moskou toegewezen, alsmede een order om twee grote handelscentra in Alma Ata te bouwen. Over de betekenis van Kazachstan, waarvan Alma Ata de hoofdstad is, hebben we al eerder bericht gegeven in verband met de infrastructurele investeringsmogelijkheden.

Daarmee komt meer dan de helft van de omzet van Robert Rogner uit Oost-Europa.

Strabag, in grootte de zevende aannemer in Oostenrijk, heeft in maart van dit jaar de tender gewonnen voor de bouw van een deel van de autosnelweg tussen Wenen en Boedapest.

Het gaat hierbij om het Hongaarse traject tussen de grensovergang Hegyeshalom en Gyor met een lengte van 60 kilometer. Dit werk kost onge veer f. 350 miljoen. Zodra dit nieuws bekend werd ging de koers van Strabag op de Weense beurs met 60 procent omhoog. Het is heel leerzaam te zien hoe het Strabag lukte deze opdracht in de wacht te slepen. De firma had al grote kansen, omdat Strabag een dochteronderneming in Hongarije had. Maar veel belangrijker was dat zij ook zorgde voor de financiering. Strabag realiseerde zich dat zij dat niet alleen aankon en nam daarom deel in een financieel consortium geleid door de Franse firma Transroute Internationale SA.

Projecten De afgelopen drie jaar kreeg Oostenrijk van alle Westerse landen de meeste bouworders in Oost-Europa. Toen ging het echter over middelgrote poen, zoals de bouw van een hotel of een kantoorpand of de renovatie van een huizenblok of een hotel. Nu komen echter de grote infrastructurele orders los en Oostenrijk heeft zich heel snel gerealiseerd dat zij die alleen niet uitvoeren kan. Aan de andere kant weten de Oostenrijkse bouwbedrijven dat wanneer ze niet zelf een oplossing vinden voor de financiering, ze geen schijn van kans maken. De oplossing is dus om een kapitaalkrachtige deelnemer te vinden om samen te investeren, en de kosten later terug te winnen uit de concessie. Deze aanpak zou ook voor Nederlandse bouwbedrijven een mogelijke weg zijn.

Oostenrijk zal haar overheersende rol in de Oosteuropese bouw- en infrastructuursector weliswaar niet ke handhaven, maar probeert nog altijd een flink graantje mee te pikken. Er is nu een grote strijd gaande tussen Frankrijk en Duitsland om deze markt en Oostenrijk zoekt contact met beide landen, met Frankrijk bij het ene po, met Duitsland bij het andere.

Dat Duitsland en Frankrijk anno 1993 hier heel openlijk vechten heeft twee oorzaken.

Terwijl de Oosteuropeanen nu komen met hun grote infrastructurele orders, stagneert de Westerse bouw- en onroerendgoedsector. De Duitse bouwindustrie stagneerde in 1992, de Franse liep met 3 procent terug en de Britse zelfs met 7,5 procent. De waarde van de Oosteuropese infrastructurele investeringen tot het jaar 2000 bedraagt enkele tientallen miljoenen dollars en de grote vraag is wie dat krijgt. Duitsland en Frankrijk waren al traditioneel georienteerd op Oost-Europa. De volgende infrastructurele projecten staan momenteel in de startblokken:de bouw van diverse autobanen in Polen, Hongarije, Tsjechie, en Slowakije, de bouw en modernisering van de havens in bijvoorbeeld Bratislava, Boedapest en Varna. Te denken valt ook aan de metros en vliegvelden van Bratislava en Boedapest.

Voorwaarden Wil Nederland ook op deze markt komen, dan moet zij zich de volgende factoren goed realiseren:1. Nederland moet ook voor de financiering zorgen, indien niet alleen, dan samen met andere landen.

2. Zij moet in de betrokken Oosteuropese landen dochter ondernemingen openen, omdat de order vaak gaat naar bedrijven, die in het land zelf staan geregistreerd. Voor deze aanwezigheid is niet veel kapitaal nodig, en kan worden gecombineerd met de deelname in de privatisering van het land.

3. Een goede lobby bij de Oosteuropese-bank (EBRD) is heel belangrijk. De EBRD heeft veel financiele middelen voor infrastructurele investeringen.

Menigeen, onder meer de Oostenrijkers, klagen erover dat de Fransen en de Duitsers over de goede relaties en te veel invloed beschikken binnen de ERBD.

Renovatie Oostenrijk krijgt overigens nog steeds veel bestellingen van Oost-Europa. Porr AG, de derde Oostenrijkse bouwer heeft bijvoorbeeld onlangs de renovatie van de hotels Bohemia en Penta in Praag gekregen, alsmede de bouw van drie kantoorpanden in Boedapest en hotels in Moskou, St. Petersburg en Krakow. Maar de leidende rol zal Oostenrijk dit jaar verliezen. De Franse bouwsector krijgt nu al 6 procent van haar opdrachten uit Oost-Europa, en in de volgende jaren rekent men op verdere groei. Binnen enkele weken wordt ook duidelijk wie de uitbreiding van de Boedapestse metro krijgt toegewezen:de Franse firma Matra of Siemens. Als het Siemens wordt, dan krijgen zeven Oostenrijkse bouwfirmas ook orders via Siemens. Als Matra de winnaar wordt, zullen enkele Italiaanse en Scandinavische ondernemingen bij het werk worden betrokken. Oostenrijk blijft individueel actief, maar zoekt ook de samenwerking met grotere landen.

Expo ’96 Overigens begint Oostenrijk in eigen land met een heel groot investeringspo. Zoals bekend wilde Oostenrijk oorspronkelijk samen met Hongarije de EXPO96 bouwen, maar ze haakte op het laatste moment af. Men begint nu in Wenen een eigen ‘expo te bouwen:de zogenaamde DonauCity. Dat komt neer op de bouw van een geheel nieuw stadsdeel van 17 hectare, naast de VN-wijk. De investeringskosten zijn bijna f. 3 miljard. Men gaat hier 1700 luxe appartementen bouwen, honderden kantoorpanden en nog vele officiele gebouwen met veel infrastructurele voorzieningen. Oostenrijk verwacht dat buitenlandse investeerders, dus ook uit Nederland, interesse zullen tonen.

1) Dr. A. Sandor beheert in Amsterdam het Business Buro Oosteuropa en schreef dit artikel in opdracht van het Exportplatform VROM. Nadere inlichtingen verstrekken dr.

Sandor via 020-6161780 of het Exportplatform via 0703393359.

Reageer op dit artikel