nieuws

Toenemende woningproduktie in Overijssel nog onvoldoende

bouwbreed Premium

Ondanks een toename met 10 procent (twee keer zo veel als landelijk) is de woningproduktie in Overijssel vorig jaar ruim achtergebleven bij de noodzakelijke aantallen van te bouwen woningen. Dit blijkt uit de door gedeputeerde staten gepresenteerde nota ‘Bevolkingsontwikkeling en woningbouw in Overijssel in 1992’.

Opvallend is dat vorig jaar een einde is gekomen aan de zich sinds 1986 jaarlijks voordoende afname van het aantal gereedgekomen woningen. Toen werden er 5465 woningen aan de voorraad toegevoegd, een toename van ongeveer 500 ten opzichte van het jaar 1991.

Enschede Dat is volgens GS met name een gevolg van de toegenomen produktie in de regio-Enschede. Toch is daarmee nog altijd niet het niveau bereikt, zoals dat is opgenomen in de provinciale nota ‘Bouwen en wonen’

van mei 1990. Daarin werd voor wat betreft de woninbgbehoefte op korte en middellange termijn voor de periode 1991-1994 uitgegaan van een jaarlijkse produktie van circa 6500 woningen. Daar ligt het aantal in 1992 gebouwde woningen dus nog ver onder.

Verschuiving Binnen de jaarlijks gerealiseerde aantallen woningen heeft zich bovendien een verschuiving voorgedaan wat betreft de wijze van financiering.

De toename van de woningbouw in de vrije sector heeft zich in versterkte mate voortgezet. In 1992 werden er van alle woningen twee van de drie in deze categorie gebouwd, waarvan 91 procent zonder enige vorm van subsidie (was 86 procent in 1991).

De laatste jaren is er volgens GS ook steeds sprake geweest van een afnemende bouw van woningen in de sociale huursector. Dit als direct gevolg van teruglopende (door het rijk gesubsidieerde) woningbouwcontingenten. Het jaar 1992 vormt hierop echter een uitzondering: “In deze sector werden ongeveer 170 woningen meer gebouwd dan in 1991, overigens zonder daarmee het niveau van voorgaande jaren te bereiken.

De oorzaak moet voor een belangrijk deel worden gezocht in de verschuiving binnen de toewijzing door het rijk van de sociale koopsector (inkomens afhankelijk gesubsidieerde woningbouw) naar de sociale huursector (woningwetwoningen)” .

Geconstateerd wordt dat een stagnatie is opgetreden in het ruimtelijke beleid van de provincie. Dat is er op gericht het bevolkingsaandeel van de steden te vergroten. Maar in 1992 is juist sprake van een afgenomen vestigingsoverschot voor de groep stedelijke gemeenten.

Gemeenten De toename van het aantal gereedgekomen woningen komt ook tot uitdrukking in de vergelijking tussen de verschillende groepen van gemeenten. De toename van de nieuwbouw was het grootst in de randgemeenten (24 procent), terwijl de stedelijke gemeenten iets boven de provinciale groei uitkwamen (14 procent). De subregionale gemeenten realiseerden een toename van 5 procent. In de overige gemeenten nam de woningbouw af met gemiddeld 4 procent.

In alle groepen gemeenten is het aandeel van de vrije sector in de woningproduktie toegenomen.

Hoewel afnemend, is binnen de stedelijke gemeenten het aandeel van de sociale woningbouw nog steeds het grootst.

In alle groepen gemeenten is het aandeel van de premiewoningen gedaald.

Reageer op dit artikel