nieuws

Mobiliteit en werkgelegenheid

bouwbreed Premium

De overheid wil de werkgelegenheid bevorderen en tegelijkertijd de mobiliteit terugdringen. Die twee beleidsdoelstellingen bijten elkaar.

Wegens de files en vooral de milieuschade wordt er gestreefd naar een vermindering van de groei van het autogebruik, bij voorkeur zelfs van een afname daarvan. Hiertoe wordt in de eerste plaats het woon/werk verkeer per auto aangepakt. Dat helpt:tenminste enkele duizenden mensen gaan tegenwoordig met het openbaar vervoer naar hun werk, of ‘poolen car’ met collegas of buren. Dat scheelt toch al gauw enkele miljoenen autokilometers per jaar. Op het totaal van (volgens Cobouw van 24/3) zon 140 miljard over de weg gereden reizigerskilometers lijkt dat een druppel op de gloeiende plaat.

Nu kan de politiek het bij deze constatering laten, of zij kan proberen het autogebruik nog verder terug te dringen. In het laatste geval komt zij zichzelf tegen op een geheel ander beleidsterrein:dat van de bevordering van de werkgelegenheid.

Deze staat, met de vergroting van de arbeidsdeelname, hoog op de prioriteitenlijst. Naarmate minder werkenden moeten zorgen voor meer zogenoemde inactieven moeten de lasten omhoog en de uitkeringen omlaag. Meer werkgelegenheid brengt echter onafwendbaar meer woon/werkverkeer met zich mee. De ermee samengaande grotere economische activiteit zorgt tevens voor meer zakelijk autoverkeer.

Volgens de Vinex moet in het vervolg de woningbouw worden geconcentreerd op de steden en de concentraties van werkgelegenheid. Dit zou het woon/werkverkeer beperken. Dat geldt echter alleen voor de nieuwe bewoners van deze nog te bouwen woningen. Het bestaande patroon wordt daardoor niet veranderd. Bovendien zullen, gezien de toenemende vergrijzing, veel van die nieuwe bewoners juist in de hogere leeftijdsgroepen worden gevonden. De arbeidsdeelname van deze groepen is lager dan die van jongere, het woon/werkverkeer dus ook.

Verschillende factoren De huidige spreiding van de woningvoorraad over ons land is dus vooralsnog een gegeven, alle concentratie van de nieuwbouw in de komende jaren ten spijt. In die woningen blijven mensen wonen die ergens werken. De toename van de beroepsbevolking zal voorlopig ook voor een groot deel vanuit deze bestaande woningen plaatsvinden, bijvoorbeeld doordat meer vrouwen gaan werken. De werklokaties van twee of meer werkenden in een woning liggen in de regel niet naast elkaar, integendeel. Aan een flinke gezamenlijke woon/werk afstand valt doorgaans niet te ontkomen.

Een andere factor die de mobiliteit bevordert, is het opleidingsniveau van de beroepsbevolking. Dit niveau neemt, ondanks alle klachten daarover, nog steeds toe. Uit diverse onderzoekingen blijkt, dat de mobiliteit toeneemt met een stijgend opleidingsniveau. Dit hangt gedeeltelijk samen met het daarbij behorende inkomensniveau, dat de kansen op een eengezinswoning in een prettige omgeving -‘dus’ buiten de grote stad- groter maakt. Daarnaast hangt deze grotere mobiliteit samen met het vaak specialistische karakter van het werk van de hoger opgeleide. Dergelijk werk is vaak over een grotere afstand verspreid. Veel ervan is niet, of niet binnen een redelijke tijd, met het openbaar vervoer bereikbaar. Bij veel van dit werk is de auto overdag ook nodig voor klantenbezoek en dergelijke.

Het flexibeler worden van de arbeidsmarkt en de daarmee samengaande meer frequente wisseling van baan brengen vaak met zich mee, dat de nieuwe baan wat verder van de woning is gelegen dan de vorige. Dat kan moeilijk iedere keer tot een verhuizing aanleiding geven, als er al een redelijke woning voor een redelijke prijs dichter bij de nieuwe werkplek te vinden is. Afgezien van de eventuele wisseling van school voor de kinderen, kost verhuizen (inclusief nieuwe stoffering e.d.) al gauw enkele tienduizenden guldens, nog afgezien van de verhuisboete van 6% in geval van koopwoningen.

De enige manier om de stijging van de automobiliteit op korte termijn af te remmen, is gelegen in lastenverhoging en beperking van de werkgelegenheid. Dat laatste is officieel geen doelstelling van beleid, maar wordt door het eerste wel bevorderd. De overstap op het openbaar vervoer is op korte termijn geen haalbare optie door gebrek aan capaciteit, en op langere termijn niet, door de grote spreiding van de economische centra en de flexibiliteit van de bedrijvigheid. Omdat toch ook nog steeds geldt: “Geen economische groei zonder toeneming van de mobiliteit” , zal ten bate van het milieu op den duur moeten worden omgeschakeld op ‘schoon’ individueel vervoer. De beste kans om daarin te voorzien lijkt de in ontwikkeling zijnde motor op waterstof brandstofcellen te bieden. Subsidie voor een snellere verdere ontwikkeling daarvan zou waarschijnlijk beter uitwerken voor ons land, dan subsidies voor Vinexlocaties.

Reageer op dit artikel