nieuws

Aanneming of leverantie?

bouwbreed Premium

Het maken van een -theoretisch- onderscheid tussen verschillende overeenkomsten en de daaruit voortvloeiende rechtsverplichtingen, is vooral van belang in die gevallen dat contractspartijen een tussen hen gesloten overeenkomst verschillend gaan uitleggen nadat er bij de uitvoering ervan problemen zijn ontstaan.

Het antwoord op de vraag welke uitleg de juiste is kan van groot financieel belang zijn. In het hieronder te bespreken geval ging het tenminste om meer dan een miljoen gulden.

In 1986 gaf de gemeente Rotterdam aan de MFB (machinefabriek Breda) opdracht voor de bouw van drie bijgestookte afgassenketelinstallaties in de electriciteitsfabriek van het GEB, dat in 1987 opging in het Electriciteitsbedrijf Zuid-Holland.

In de opdracht werden de door MFB te verrichten werkzaamheden omschreven. Die omvatten niet alleen de fabricage en het leveren van de installaties, maar ook het transporteren, het bedrijfsvaardig monteren en in bedrijf stellen, maar ook het meewerken aan de garantieproeven en het garanderen van de drie installaties. Voor dit po sloot Rotterdam bij Centraal Beheer een Constructie All Risks (CAR)-verzekering.

Een van de polisvoorwaarden daarin bepaalde, dat meeverzekerd waren de (onder)aannemers, installateurs en leveranciers, maar ten aanzien van die ten was een aanvulling opgenomen, waarin stond, dat voor hen geen dekking bestond in de gevallen dat materialen en/of onderdelen van het werk vervangen zouden moeten worden omdat zij met een gebrek of tekortkoming op het werk waren aangevoerd en er materiele schade zou ontstaan door toepassing en/of verwerking van die materialen en/of onderdelen.

In dat geval zou de schade van de aannemer wel volledig worden vergoed.

MFB voerde de haar opgedragen werkzaamheden in 1987 en 1988 uit op basis van de door Rotterdam geleverde algemene specificaties, maar door haarzelf gemaakte ontwerpen. Op 5 december 1988 werd het werk opgeleverd, maar al in het begin van 1989 werd na de inbedrijfstelling geconstateerd, dat in de rookgaskanalen en in de ketelbeplating scheuren waren ontstaan.

De oorzaak daarvan bleek te liggen in fouten bij het ontwerpen van de installaties, omdat er onvoldoende rekening was gehouden met de invloed van thermische spanningen en de plaatselijke rookgaspassage niet was voozien. De schade was niet gering:MFB diende als medeverzekerde de rekening in bij Centraal Beheer. Of die maar f. 1700516,77 wilde vergoeden. Maar Apeldoorn voelde daar niets voor omdat MFB als leverancier niet medeverzekerd was. Zo kwam in 1990 de zaak voor de Zwolse rechter. De zaak was belangrijk en ingewikkeld genoeg voor een vrij langdurige procedure. Op 29 oktober 1992 kwam de uitspraak. De Rechtbank besliste, dat het antwoord op de vraag of de ontstane schade onder de dekking van de CAR-polis viel, positief was. Bij de interpretatie van de bepaling, dat de schade van leveranciers niet gedekt was, redeneerde de rechtbank als volgt. De opdracht aan MFB omvatte zowel het verrichten van arbeid als het fabriceren van onderdelen van de installaties en het leveren daarvan.

Maar dat betekende niet, zoals CB vond, dat MFB behalve als aannemer ook als leverancier bij het werk betrokken was en dat zij voor de in eigen fabriek gemaakte ketels en rookgaskanalen als leverancier aange merkt moest worden.

De opdracht in zijn geheel diende als aanneming van werk beschouwd te worden, zei de rechtbank. De machinefabriek hoefde uit de polis ook niet te begrijpen, dat zij als leverancier zou worden beschouwd als door haar, niet op de werkplaats gefabriceerde onderdelen, van het werk naar de bouwplaats werden vervoerd en er later -als gevolg van een ontwerpfout- schade zou ontstaan.

Die uitleg van de polisvoorwaarden kan met name niet daaraan gegeven worden in dit geval, waarin de in de MFB geprefabriceerde elementen gemaakt zijn volgens de bijzondere voorgeschreven specificaties.

Deze rechterlijke beslissing lijkt in de lijn te liggen van datgene, wat in de bouwwereld algemeen wordt aanvaard. De normale situatie is immers, dat de aannemer bouwstoffen aanschaft; hoewel hij eigenaar wordt van alles, dat hij voor de bouw koopt, wordt toch niet de verwerking van die bouwmaterialen als een leverantie uit een koopovereenkomst met de opdrachtgever beschouwd, maar als de voldoening van de aannemer aan zijn verplichting uit de aannemingsovereenkomst.

De aannemer, die in mijn huis een dakkapel aanbrengt en daarvoor in zijn werkplaats het benodigde kozijn maakt, wordt niet beschoud dat op grond van een koop-/aannemingsovereenkomst te doen, maar ter uitvoering van een overeenkomst tot aanneming van werk zonder meer. Bij een echte koop-/aannemingsovereenkomst koopt men wel de grond (en eventueel het al gerealiseerde gedeelte van de opstal) en sluit men voor de nog op die grond te realiseren opstal een aannemingsovereenkomst. Als een aannemer zich verbindt tot het verrichten van arbeid en tevens tot het leveren van de voor het werk benodigde bouwstoffen dan ontstaat een aannemingsovereenkomst.

Wil men geen aannemingsovereenkomst sluiten, maar (ook) een koop, dan zal men die bedoeling duidelijk tot uiting moeten brengen, tenzij het uit de strekking van die overeenkomst al duidelijk blijkt.

Of het Zwolse vonnis in stand blijft weten we overigens niet zeker. De verzekeraar heeft namelijk hoger beroep aangetekend en de uitkomst daarvan mogen we, hopelijk, wel in de loop van dit jaar verwachten.

(BR 1993 p. 90) MR. MATH VERSTEGEN

Reageer op dit artikel