nieuws

Noodzaak dijkversterking blijkt algemeen aanvaard

bouwbreed Premium

De betrokken organisaties bij de versterking van de rivierdijken zijn het er over eens dat dijkverbetering noodzakelijk is. In een hoorzitting van de vaste Kamercommissie voor verkeer en waterstaat bleek echter wel dat er grote verschillen van mening bestaan over de procedure, de financiering en de mate waarin de rivierdijkversterkingen tot stand moeten worden gebracht.

Inzet van de gisteren gehouden hoorzitting was het rapport dat de commissie Boertien in opdracht van minister Maij heeft opgesteld. De vaste Kamercommissie had de Unie van Waterschappen, het Interprovinciaal Overleg, het Wereld Natuur Fonds, Red ons Rivierenlandschap en de stichting Natuur en Milieu uitgenodigd.

Vrijwel alle organisaties zeiden het eens te zijn met de conclusie van Boertien dat dijkversterkingen noodzakelijk zijn.

Centraal in de hoorzitting stond in feite de vraag of culturele, agrarische en natuurwaarden zwaarder wegen dan het risico van een dijkdoorbraak.

De Unie van Waterschappen en het Interprovinciaal Overleg (IPO) lieten weten de door de regering gehanteerde risicokans van een dijkdoorbraak eens in de 1250 jaar geen optimum te vinden maar een minimum grens. Volgens de Unie dient deze veiligheidsnorm dan ook als uitgangspunt voor alle werken te worden vastgesteld.

De stichting Natuur en Milieu pleit daarentegen voor een een meer gedifferentieerde normstelling. Zo behoeft de norm niet voor beide oevers van een rivier dezelfde te zijn. Immers ook bij een zogenaamd gelijke norm voor beide oevers zal toch een van beide het eerst overstromen of bezwijken, met als gevolg dat de overliggende oever sterk wordt ontlast.

Met name ten aanzien van de Linker IJsseloever en de Linker Maasoever vindt Natuur en Milieu het evident dat voor een lagere norm (1/500) wordt gekozen omdat hiermee belangrijke waarden ke worden gespaard. Het verschil in scha de bij een norm van 1/500 of 1/1250 aan de landbouw-, natuur- en cultuurwaarden in de aan de rivieren grenzende gebieden is volgens het IPO echter zeer gering. Het vindt de persoonlijke risicos en de economische schade die een dijkdoorbraak tot gevolg ke hebben hiertegen opwegen.

Een incidenteel lagere veiligheidsnorm sluit het IPO niet uit, zij het dat het hier aan toevoegt dat het rapport van Boerien daar ‘onvoldoende aangrijpingspunten’ voor biedt.

Financiering Een ander heikel punt binnen het dijkversterkingsdebat vormt de financiering. De Unie van Waterschappen staat op het standpunt dat het rijk voor 2004 zon f. 270 miljoen extra aan de reeds beschikbare middelen voor rivierdijkversterking moet toevoegen. De waterschappen en provincies zijn bereid tot een bijdrage van twintig procent in de meerkosten door bijvoorbeel het instellen van een mer-procedure, die het gevolg is van het werk van de commissie Boertien.

Dat betekent, aldus een woordvoerder van de Unie, dat het rijk wel voldoende middelen beschikbaar moet stellen.

De waterschappen zijn van mening dat, ondanks de als gevolg van Boertien uit te voeren extra procedures, de voltooiing van 97% van de werken in 2004 afgerond moet zijn (conform motie-Eversdijk). De regering wil het extra geld echter pas na 2004 ter beschikking stellen.

De Unie van Waterschappen vindt voorts dat de rivierdijkversterkingspoen die reeds in procedure zijn genomen niet alsnog met een mer belast mogen worden. Er zijn immers reeds afspraken gemaakt met de bedrijven (voornamelijk werven) aan die rivieren over wanneer de project worden uitgevoerd. Een merprocedure zou een aanzienlijk vertraging betekenen en een grote ingreep op de desbetreffende bedrijfsterreinen. Natuur en Milieu vindt daarentegen dat ook de 100 kilometer dijk die reeds door de colleges van GS zijn goedgekeurd een mer-procedure moeten ondergaan. De Unie van waterschappen vindt dat een arbitrage-comissie hierover moet beslissen.

Reageer op dit artikel