nieuws

Ruimte voor kunst

bouwbreed Premium

Nieuwbouw en uitbreiding van musea behoren tot de spraakmakende opdrachten in de bouw. In de jaren tachtig werden in ons land musea vooral ruimten voor kunst ontworpen door de Rotterdamse architect Wim Quist.

Voorbeelden daarvan zijn het Haagse Museon, het Maritiem Museum Prins Hendrik in Rotterdam en het Noordbrabants Museum in Den Bosch, die overigens volgden op het eerder gereed gekomen meesterwerk van Quist:de uitbreiding van het Rijksmuseum Kroller-Muller in Otterlo. Voor de jaren negentig werkt Quist aan een Cobramuseum in Amstelveen, een beeldenmuseum in Scheveningen en nam hij deel aan de schimmige meervoudige opdracht voor uitbreidingsplannen van

Stedelijk Museum in Amsterdam. Nog dit jaar wordt in Rotterdam het architectuurmuseum in gebruik genomen, waar vorig jaar de Kunsthal voor veel discussie zorgde. Het zijn aanloopjes naar de museumboom in de jaren negentig, waarvan het Groninger Museum (Alessandro Mendini) en Bonnefantenmuseum in Maastricht (Aldo Rossi) inmiddels in aanbouw zijn. Beide Italiaanse ontwerpen voor ons land waren vertegenwoordigd op een Duitse overzichtstentoonstelling in Bonn, waar tijdens een symposium behartenswaardige dingen over de ‘ruimte(n) voor kunst’ te beluisteren waren.

De situatie in Duitsland toont veel overeenkomsten met die in ons land. De museumboom zette er wat vroeger in, bijvoorbeeld met het spraakmakende Museum am Abteiberg in Monchengladbach van ‘de vader van de Duitse museumboom’ Hans Hollein uit Wenen. Frankfurt kreeg in de jaren zeventig zijn MuseumUfer nadat Berlijn in de vorige eeuw als geschiedenis schreef met een Museum-Insel. Bonn en Hamburg werken nu aan een Museum-Meile.

Museumbouw Wim van Heuvel Opvallend is de ‘grundliche procedure van de architectenkeuze in Duitsland.

Veelal gaat het om een meervoudige opdracht waarbij bewust gekozen wordt voor architecten die in hun gerealiseerde werk eerder aanleiding gaven tot hoge verwachtingen voor de specifieke museale opdrachten. Maar desalniettemin gaat er toch nogal eens wat mis. Zo ontstond een wereldberoemd Museum fur Kunsthandwerk van de Amerikaan Richard Meier in Frankfurt, dat bij wijze van spreken meer architectuurtoeristen trekt dan bewonderaars van collectie en wisselende exposities, maar museaal toch nog geen uitstekend voorbeeld van een flexibele expositieruimte vormt. De Neue Staatsgalerie in Munchen van James Stirling is ook niet echt een hoogtepunt van “heldere ruimten zonder te veel details en architectonische vormwil” , al trekt het gebouw een leger bewonderaars van de architectuur. Maar het markante paviljoen van staal en glas dat Mies van der Rohe reeds in 1968 aa het Berlijnse Kulturforum realiseerde, is in eigenlijk gewoon onbruikbaar voor het tonen van veel vormen van beeldende kunst… Er is dus naast een bekende naam een grondige selectie nodig om musea goed vorm te geven.

Museum als stad Tijdens het symposium in Bonn werd ik herinnerd aan Bakemas enthousiaste beoordeling van Scharouns Philharmonie tegenover de Neue National Galerie van Mies aan hetzelfde Berlijnse Kulturforum: “Een gebouw als een stad” . In Bonn werd gepleit voor een een “Museum als een stad met een centraal plein of binnenstraat” voor orientatie binnen het gebouw voor bezoekers en ontsluiting van afzonderlijke afdelingen. In Stirlings Neue Staatsgalerie liggen de belangrijkste expositieruimten op de bovenverdieping met daklicht. De verkeersruimte loopt door de zalen. Gepleit werd voor afzonderlijke verkeersruimten. Dat hoeft niet per se een gang te zijn, het kan een binnenstraat of plein zijn. Het Berlagegebouw van het Haags Gemeentemuseum is er een voorbeeld van. Vanuit een gang rond de binnentuin bereikt men de grote zalen met daarachter een rij kleine kabinetten.

Bij de bouw van nieuwe musea is men tegenwoordig vaak zo gefixeerd op grote formaten van kunstwerken, dat vergeten wordt dat er ook veel kunst van kleine afmetingen bestaat, die om kleinere expositieruimte vraagt.

Museale functies Gebouwen voor kunst vergen de nodige secundaire ruimten. Een centrale hal maakt ontmoetingen mogelijk en soms de orientatie en ontsluiting. Een aula is veelal uitgegroeid tot een auditorium, bij de Kunsthal in Bonn met 500 zitplaatsen en een wat kleiner nog luxieuzer auditorium in het er direct naast gelegen Museum Bonn:een schoolvoorbeeld van geldverspilling en/of gebrek aan coordinatie.

Maar op de symposiumdag bleek er in de omgeving geen andere lunchmogelijkheid dan een klein museumcafe in de kunsthal voorhanden! Wat repen en voorverpakte snacks in een klein naburig benzinestation was het alternatief…

Daarnaast is een boekwinkel een must, al dreigen in bijvoorbeeld het Rotterdamse museumkwartier de museumwinkels van Boymans en NAi als gesubsidieerde (overheids)instellingen met plaatselijke boekhandels die zich specialiseerden te concureren. Dat pakt men in Duitsland democratischer aan, door een winkelruimte tegen redelijke prijs te verpachten. Overigens is het assortiment van de museumshop in het Amsterdams Stedelijk Museum al ingekrompen, omdat men eenvoudig niet tegen de ruim gesorteerde en gespecialiseerde boekhandel Premsela er tegenover op kan of wil boksen. Maar in het Rotterdamse Museumpark worden met overheidsgeld museumwinkels gebouw, die vervolgens met ambtenaren worden bemand en zo concurrentievervalsing te weeg brengen. En politici beijveren zich voort om hun kunstlievend imago hoogglanzend op te poetsen ten koste van efficienter werkende boekhandels en kunstnijverheidswinkels met prive-kapitaal, die de overheden geen geld kosten.

Jaren ’90 minder complex?

Na de reeks spraakmakende Jahrhundert-Gebaude, waarin architecten van naam al hun architectonische lusten samenbalden, lijkt er ook in het Duitse spraakgebied een roep om eenvoud gaande. Na James Stirling in Munchen en Hans Hollein of Richard Meier in Frankfurt, lijkt daar wat voor te zeggen. Wat anoniemere expositieruimten zullen kunstwerken ten goede komen.

Een klein particulier museum van de Zwitserse architecten Jaques Herzog en Pierre de Meuron biedt eenvoudige ruimten, bijna overgedetailleerd omdat men details bewust minimaliseerde. Het vergt aandacht van de architect om deze architectonische kwaliteit te halen! Maar ook het Kirchner Museum in Davos van de architecten Annette Gigon (werkte bij Herzog en Meuron) en Mike Guyer (afkomstig uit de Verenigde Staten en werkzaam geweest bij Rem Koolhaas) toonde een verstilde museale ruimte, waarbij Quist’s zalen overdadig vorm gegeven lijken. Beide Zwitserse bureaus stuurden met ijzeren hand aan op zo te zien bovenmodale minimal-architectuur:prachtig door het gebrek aan vormwil, of waarschijnlijker de geperfectioneerde vormwil die overtuigt.

De dias wekten op het symposium diepe indruk, evenals eerdere publikaties in bijvoorbeeld het Berlijnse weekblad Bauwelt.

In discussies kwam naar voren, dat museumbouw in de jaren negentig wel eens wat rustiger ontworpen ke worden, ook met minder pathos dan bijvoorbeeld de vier ontwerpen voor het Stedelijk Museum in Amsterdam of het Groninger Museum van Mendini.

Kunsthallen Ogenschijnlijk is de kunsthal een nieuw type museale bebouwing. De Beurs van Berlage en Nieuwe Kerk in Amsterdam nuanceren dat beeld. Een kunsthal is een expositiegebouw voor (onder meer) kunst die uit externe collecties is samengesteld.

Een kunsthal heeft dus geen eigen collectie en kan vaak meer tentoonstellingen tegelijk onderdak bieden.

Musea zijn vooral voor de grotere tentoonstellingen vaak aan de kleine kant, zodat te veel ruimte vrijgemaakt moet worden bij grote exposities. Er stond voor die musea wel vaak financieel gewin tegenover, dat nu bij de kunsthal wordt geoogst.

Het is van levensbelang dat onderdelen van een kunsthal met verschillende exposities apart toegankelijk blijven, zeker als men elders een tentoonstelling afbreekt en/of opbouwt. Daarnaast is een gevarieerd aanbod wenselijk van grote en minder grote zalen, met bovenlicht en/of zijlicht en eventueel alleen kunstlicht. Men moet daarbij rekening houden met sterk varierende eisen die worden gesteld aan het binnenklimaat waarbij luchtvochtigheid, lichttoetreding en dergelijke per expositieruimte ke worden geregeld.

Hans Hollein was van mening dat kunsthallen hierdoor nog beduidend duurder zijn dan musea.

Het grote aantal bezoekers, in Bonn een half miljoen in zes maanden, in Rotterdam 45000 bezoekers in drie maanden, vereist een ruime opzet. In Bonn behaalde men topdagen van 5000 bezoekers!

Exposeren = ensceneren Er zijn altijd verschillen in opvatting geweest over de ideale tentoonstellingsruimten tussen museummensen, architecten en kunstenaars. De terughoudende witte museumzaal lijkt ideaal, maar was dat hooguit voor een kunstenaar als Joseph Beuys, die er zelf zijn werk ensceneerde, vorm gaf in relatie tot de ruimte.

Gewoonlijk zijn het museummensen of tentoonstellingsontwerpers die een expositie inrichten. De tijd van schilderijen van ‘lijst tot plafond’, oftewel vanaf een lambricering in rijen boven elkaar tot aan de onderkant van de plafondlijst, maakte plaats voor uitgewogen tentoonstellen.

Een schilderij mag daarbij geen invloed ondervinden van een ander doek aan de wand, tenzij een confrontatie wenselijk is.

Soms leidt dat tot een enkel werk in een museale ruimte. In al die gevallen is sprake van ensceneren. Maar de museale ruimte moet dat mogelijk maken en toelaten. De kunstenaar prof. Markus Lupertz toonde zich ontevreden met veel ogenschijnlijk multifunctioneel bruikbare museumruimten die hij als te koel ervaart.

Maar wat de hooggeleerde kunstenaar dan anders en wel wilde, werd niet duidelijk. De inmiddels afgezwaaide Wim Beeren toonde zich zeer onder de indruk van de kitserigde coulisse-architectuur van Venturi in de Londense uitbreiding van de National Gallery. Veel criticie kozen voor de helder witte gelijktijdig gebouwde ruimten van Sir Norman Foster in de Royal Academie in dezelfde stad.

Zo is ook op dit symposium het laatste woord over ruimte voor kunst niet gevallen. Wel toonde het nieuwe visies en vooral een breed spectrum van toegelichte musea uit de laatste tijd, waarvan er op deze pagina vier met een foto zijn uitgelicht.

En als u denkt te weten wat een museum nu eigenlijk is, dan kunt u dat toetsen aan een statement van de architect van de eerder in Cobouw besproken kunsthal in Bonn, de Oostenrijker Gustav Peichl, die in een kader apart is opgenomen.

De Staatsgalerie Moderner Kunst Munchen moet in 1998 geopend worden. Het winnende prijsvraagontwerp van architect Stephan Braunfels omvat om de ronde centrale hal museumruimten voor beneden de Grafische Sammlung en het Architekturmuseum van de universiteit, daarboven de Neuen Sammlung voor design en onder de daklichten op de bovenste verdieping de Staatsgalerie voor moderne kunst. De bouwkosten worden op circa 275 miljoen gulden geraamd. De diagonale entreegang sluit aan op de Alte Pinakotheek, het schilderijenmuseum van Klenze en Dollgast, met daar tegenover (geheel rechtsboven) de Neue Pinakothek van Von Branca.

De Zwitserse architecten Jaques Herzog en Pierre de Meuron ontwierpen een klein particulier museum in Munchen. Het gebouwtje in een parkachtige omgeving heeft een betonconstructie met gevels van blank hout en glaspuien. Voor de museale ruimten is extra veel aandacht besteed aan een zo eenvoudig mogelijke uitstraling van de minimal-architectuur, waardoor de kunstwerken optimaal tot uitdrukking komen.

Annette Gigon en Mike Guyer ontwierpen een eenvoudig museum voor grafische kunst in Davos. Zij streefden naar een primaire eenvoud in de ruimten, waar het daglicht gefilderd door een plafond van lamellen binnen valt. De verschillende museale ruimten liggen om een centrale hal van geringere bouwhoogte. Voor de constructie is gebruik gemaakt van wanden in schoon beton die de dakplaten ondersteunen.

De Weense architect Gustav Peichl won de prijsvraag voor het ontwerp van de Kunst- und Austellungshalle der Bundesrepublik Deutschland in Bonn. Het vorig jaar in gebruik genomen gebouw heeft een beeldentuin op het dak rond drie kegelvormige lichttorens.

Daarmee ontstond een toevoeging aan het vloeroppervlak voor exposities van de kunsthal die circa 140 miljoen gulden heeft gekost.

Wat is een museum?

– Is een museum een elitaire bewaarplaats voor kunst? – NEEN – Is het museum een container voor kunstmateriaal? – NEEN – Is een museum een vormingscentrum met moderne informatiesystemen? – NEEN – Is het museum een forum voor spectakel? – NEEN – Is het museum een treftpunt voor kunstdebattanten – NEEN – Is het museum een speelweide voor designbewuste architecten? – NEEN – Is het museum een plaats voor rust en bezinning? – NEEN – Is het museum een plaats van verwondering? – NEEN – Is het museum een speelplaats voor de jongeren – NEEN – Is het museum een podium voor ijdele zelfbevestigers? – NEEN – Is het museum een toevluchtsoord voor de fantasie? – NEEN Wat dan? Dit alles te zamen genomen!

Dat maakt de opdracht voor architecten zo moeilijk maar ook opwekkend en bekoorlijk.

Dat maakt de samenwerking met de kunstenaars en kunstbemiddelaars zo interessant!

GUSTAV PEICHL

Reageer op dit artikel