nieuws

‘Milieu moet in onderwijs geintegreerd worden

bouwbreed

Het aspect ‘milieu moet geintegreerd worden in het proces van ontwerpen en uitvoeren. Het moet ingepast worden in de constructieleer, zoals die onderwezen wordt aan de Universiteit. En de resultaten van onderzoek op het gebied van het milieu moeten sneller in het onderwijs terechtkomen.

Dat is de motivatie van prof. dr. ir. Ch.F. Hendriks bij de aanvaarding van het deeltijd hoogleraarschap materiaalkunde en milieu aan de faculteit der

iele Techniek van de TU Delft. In zijn intreerede gaf hij een uitgebreid overzicht van de stand van zaken met betrekking tot milieu en bouwmaterialen. Hij ging ook in op de geschiedenis, waarin “hergebruik heel gewoon was, zolang de materialen ook maar enige waarde behielden. De Romeinen maakten al ‘opus caementium’ met kalk en gemalen steen. In de loop der eeuwen kwamen er veel meer materialen. De neveneffecten op gezondheid en milieu waren vaak nauwelijks bekend. Pas in de jaren zestig kwam daarover een brede discussie op gang.”

Hendriks vroeg in zijn rede aandacht voor achtereenvolgens de winning van primaire grondstoffen, hergebruik, nuttig gebruik van reststoffen, bodembescherming, bescherming tegen straling, meten met milieumaten en afvalverwerking. Over de winning van oppervlaktedelfstoffen zei hij, dat “het probleem is, dat er geen harde, hanteerbare en meetbare criteria zijn voor de afweging tussen milieubescherming en grondstofwinning en de noodzakelijkheid van het winnen van oppervlaktedelfstoffen in Nederland.”

Export Hendriks stelde de vraag, in hoeverre Nederland milieuproblemen exporteert door de winning binnenslands te beperken, en in hoeverre Nederland problemen importeert door gebruik te maken van buitenlandse grondstoffen. Hij waarschuwde voor mogelijke problemen met de duurzaamheid en de radon- en gammastraling van geimporteerde grondstoffen. “Er moeten snelle en betrouwbare kwalificatieprocedures ontwikkeld worden.”

Over bouwafval zei Hendriks, dat gescheiden inzameling deel moet uitmaken van het kwaliteits- en milieusysteem van bedrijven. “Gescheiden materiaalstromen zijn mogelijk, veel van het afval komt in aanmerking voor hergebruik en dat kan op kosteneffectieve wijze’, aldus de hoogleraar. Over sloopafval zei hij, dat er bij het ontwerpen rekening gehouden moet worden met de ‘hergebruikvriendelijkheid’. Bovendien is het nodig om selectief te slopen. Als voorbeeld daarvan noemde Hendriks het ‘schillen’

van beton met behulp van radiostralen. Een en ander betekent wel, dat aan de vakbekwaamheidseisen van slopers steeds hogere eisen gesteld moeten worden.

Opwerken In Nederland wordt 7 tot 8 miljoen ton sloopafval per jaar geschikt gemaakt voor hergebruik, het zogenaamde ‘opwerken’. Het gaat voornamelijk om de produktie van de 0/40fractie van beton- en metselwerkgranulaat. “Nederland is op dit gebied koploper in Europa’, aldus Hendriks. “maar verdere groei van deze sector acht ik onwaarschijnlijk. Het ministerie van Milieubeheer stelt echter 90% hergebruik in het jaar 2000 als doel. Dat is alleen haalbaar als het granulaat ook op grote schaal gebruikt wordt als toeslagmateriaal in beton, een markt die nog problemen oplevert. Bij gebruik van granulaten is er meer cement nodig om dezelfde druksterkte te bereiken, en een hogere watercementfactor voor dezelfde consistentie.

Granulaatbeton vertoont meer krimp en kruip en heeft een lagere elasticiteitsmodulus. De uitzettingscoefficient en de vermoeiing zijn vergelijkbaar met die van grindbeton en de carbonatatiediepte verschilt niet wezenlijk. Granulaatbeton is redelijk bestand tegen vorst en het risico op schade door de alkalisilica-reactie (ASR) is niet aangetoond. Als al het grind vervangen wordt door granulaat, dan worden de afmetingen van de constructie ca. 10% groter.”

Vooroordelen Ondanks de technische perspectieven zijn er nog veel knelpunten in de markt. Hendriks noemde onder andere het vooroordeel, dat het toch om afval gaat en het materiaal misschien milieuhygienisch niet deugt. Het afgeven van kwaliteitsverklaringen en het stellen van eenduidige eisen door de overheid kan de acceptatie van opgewerkt materiaal bevorderen.

Volgens Hendriks wordt van de ruim 60 miljoen ton afval die Nederland jaarlijks produceert, zon 10 tot 11 miljoen voornamelijk steenachtig materiaal als bouwstof gebruikt.

“Hergebruik levert een aanzienlijke besparing op stortruimte op, toont aan dat het mogelijk is om economisch handelen en milieuverantwoord produceren samen ke gaan en leidt tot een interessante besparing op grondstoffengebruik.”

Tenslotte noemde Hendriks het een uitdaging voor materiaalonderzoekers om rendabele opwerkingsprocessen te vinden en bestaande methoden te optimaliseren. Voor wat betreft de vergelijking van milieu-aspecten van verschillende materialen wees hij op de door het Centrum voor Milieukunde Leiden (CML) ontwikkelde milieumaat.

Reageer op dit artikel