nieuws

Deeltijdwerkers ook in bedrijfspensioenfonds

bouwbreed Premium

Sinds 1 april 1992 vallen ook deeltijdwerkers die minder dan 40% van de normale arbeidsduur werken onder de verplichte pensioenregeling voor de bouw. Daarmee loopt de bouw voorop op andere sectoren. Al jaren geldt in de bouw de pensioen-verplichting. Werkgevers en werknemers betalen gezamenlijk de pensioenpremie. Over 1992/1993 bedraagt de premie 15% van de pensioengrondslag. De werknemer betaalt daarvan 2,5% en de werkgever de rest. Het pensioenloon minus aow-franchise is de pensioengrondslag.

Tot en met 1986 kende de bouw een beperkte pensioenopbouw. Het basisprincipe was toen het aantal gewerkte dagen. Voor iedere gewerkte dag moest de werkgever een vast bedrag -onafhankelijk van het salaris van de werknemer- afdragen aan het bedrijfspensioenfonds. Daarmee realiseerde de werknemer op 65-jarige leeftijd een ouderdomspensioen van maximaal circa f.5000 per jaar. In cao-onderhandelingen is dat systeem per 1 januari 1987 losgelaten en schakelde ook de bouw over naar een loonafhankelijk pensioen. De werknemer bouwt daarbij een pensioen op, gekoppeld aan zijn salaris en diensttijd.

Pensioenloon Voor de berekening van het pensioen is het uitgangspunt het pensioenloon. De componenten van dat pensioenloon zijn het vaste maandsalaris, inclusief het doorgerekende loon tijdens vakanties maar exclusief de vakantietoeslag, eventueel overwerk en tantie`mes tot een maximum pensioenloon van f.85000 per jaar. Dat pensioenloon wordt verdeeld over twee schijven. De eerste schijf is de aow-franchise, een vast bedrag van f.30113 (119-’92). Over die som betaalt de werknemer geen pensioenpremie. Dit eerste stuk van het pensioenrecht dekt de overheid met aow, waarop iedereen vanaf zijn 65ste recht heeft.

De tweede schijf is de pensioengrondslag en daarover bouwt de werknemer voor ieder gewerkt jaar 1,75% pensioenrecht op. Bij een arbeidsleven van veertig dienstjaren heeft de werknemer in totaal 70% pensioenrechten over zijn gemiddelde pensioen-grond slag bereikt. Bij werknemers in de bouw wordt op vijftigjarige leeftijd het pensioenloon bevroren. Salarisverhogingen tijdens de rest van het arbeidsleven worden niet in het pensioenloon meegenomen. Wel wordt ook na het vijftigste jaar de opbouw opgehoogd met de gemiddelde loonstijging in de bouw. Over 1992 bedroeg dat ophogingspercentage 2,65%.

Door de invoering van het loonafhankelijke pensioensysteem in 1987 zal in de bouw pas in het jaar 2027 de eerste lichting werknemers de maximale opbouw van 70% hebben gerealiseerd. Daarvoor geldt gewoon de opbouw van het dagafhankelijke pensioen. Indien het opgebouwde pensioenrecht op 65-jarige leeftijd beneden de f.360 per jaar blijft, wordt dat recht via een eenmalige storting door het pensioenfonds afgekocht.

Nabestaanden Naast het ouderdomspensioen geldt voor iedere deelnemer in het bedrijfspensioenfonds ook een nabestaanden-pensioenregeling. Uitgangspunt daarvoor is het ouderdomspensioen. Tot 65-jarige leeftijd van de weduwe, weduwnaar of partner van de overleden werknemer bedraagt de pensioenuitkering 80% van het ouderdomspensioen en daarna levenslang 70%. Aan het partnerpensioen zijn wel enkele voorwaarden verbonden. Beide partners moeten ongehuwd zijn en een gemeenschappelijke huishouding voeren die in een notariele akte is vastgelegd. Bij het overlijden van de verzekerde werknemer moet die relatie tenminste een jaar hebben bestaan. Maximaal vier kinderen tot achtien jaar hebben bij overlijden van de verzekerde ieder recht op 16% van het ouderdomspensioen. Als kinderen studeren kan dat onder be paalde omstandigheden tot 26jarige leeftijd worden verlengd.

Bij ziekte en werkloosheid van de werknemer wordt de pensioenopbouw gecontinueerd.

De bedrijfsvereniging neemt bij ziekte de premieverplichting over. De werkgever merkt daar niets van omdat het pensioenpremiedeel in de ziektewetpremie is verrekend. Voor werklozen vanaf veertig jaar wordt de pensioenpremie betaald door het Fonds Voorheffing Pensioenverzekering (FVP). Werknemers beneden de veertig jaar ke als ze werkloos worden zich vrijwillig bij dit fonds melden en uit de eigen zak de pensioenpremie betalen. Bij vorstverlet betaalt de werkgever formeel de pensioenpremie voor zijn werknemers. In het toeslagpercentage op de vorstverletdeclaratie is een vergoeding voor de pensioenpremie begrepen.

Pensioenbreuk Als een werknemer van baan verandert kan pensioenbreuk ontstaan. Een salarisverhoging in de nieuwe baan werd tot voor kort bij de nieuwe werkgever niet meegenomen over de reeds opgebouwde pensioenjaren, terwijl dat tot vijftigjarige leeftijd bij de bestaande werkgever wel zou zijn gebeurd. Ook de afkoop van pensioenrechten bij zijn werkgever was voor de werknemer die uit de bouw vertrok meestal ongunstig. Sinds kort wil het bedrijfspensioenfonds voor de bouw wel meewerken aan die waarde-overdracht op voorwaarde dat het voor de werknemer gunstig uitpakt.

De waarde-overdracht kan officieel alleen plaatshebben tussen de erkende verzekeringsmaatschappijen en bedrijfspensioenfondsen. Werknemers die uit de bouw vertrekken moeten tijdig een verzoek bij hun bedrijfspensioenfonds indienen om de waarde-overdracht te regelen.

Vut-rechten De bouw kent twee vut-fondsen, een voor bouwvakkers en een voor uta-werknemers (uitvoerend, technisch en administratief personeel). Voor de bouwvakker bedraagt de totale premie 4,9%, waarvan 1,9% wordt ingehouden op het bruto-loon. De vut-premie voor uta-werknemers bedraagt 7,4% die op fifty-fifty-basis wordt voldaan door de werkgever en werknemer.

Bouwvakkers die tien jaar in de bouw werkzaam zijn geweest, ke vanaf hun zestigste jaar in de vut. Op 57 jaar is men reeds vut-gerechtigd indien de werknemer tenminste vier jaar voorafgaande aan de vut-leeftijd onafgebroken in de bouw heeft gewerkt, plus veertig jaar werknemer is waarvan dertig jaar in de bouw. Bouwondernemers die een aantal jaren zelfstandig in een eenmanszaak of firma hebben gewerkt, zijn voor de wet geen werknemer geweest tijdens hun zelfstandige periode. Zij komen meestal niet aan het vereiste aantal dienstjaren om op 57 jaar met vut te gaan. Tijdige omvorming naar een bv kan dat probleem oplossen. Er zitten wel wat haken en ogen aan de bv-structuur om die vut-rechten daadwerkelijk veilig te stellen. In de bouw is de directeur-grootaandeelhouder premieplichtig voor de vut.

Uta-werknemers moeten in een periode van vijftien jaar tenminste tien jaar in de bouw hebben gewerkt om op zestig jaar in de vut-regeling te ke. De bewijslast ligt steeds bij de werknemer.

De vut-uitkering bedraagt het eerste halfjaar 80% van het tverdiende loon tot het maximum van anderhalf maal het premieloon voor de ziektewet. Vervolgens tot 65 jaar 75% met jaarlijks 8% vakantietoeslag. Over de uitkering worden loonbelasting en premies ingehouden. Het vutfonds voor de bouw zorgt voor de verdere opbouw van pensioenrechten. Neveninkomsten uit arbeid in de bouw worden tijdens de vut-periode geminderd op de uitkering. Verwerft de ‘vutter’ neveninkomsten uit arbeid buiten de bouw dan wordt pas gekort op de uitkering bij overschrijding van anderhalf maal het premieloon ziektewet.

Voor vragen en opmerkingen:Paul Schol, tel.: 085-209500.

Reageer op dit artikel