nieuws

Arbitraal kort geding

bouwbreed Premium

Wat bij de gewone rechtspraak al lang kon is bij de Raad van Arbitrage voor de Bouwbedrijven in Nederland pas sinds 1987 mogelijk:een kort geding. Die voorziet in de behoefte aan een beslissing op korte termijn, door een arbiter, die niet is gebonden aan allerlei formaliteiten en termijnen.

In de Statuten van de Raad is in 1987 de mogelijkheid geopend om in bepaalde gevallen spoedgeschillen door de raad te laten behandelen. Binnen welke termijn een beslissing moet worden gegeven is niet in de Statuten geregeld, net zo min als in het Wetboek dat de behandeling van een kort geding door de president van de rechtbank regelt. Die laatste bepaalt dat zelf; bij spoedgeschillen die bij de raad worden aangebracht wordt dat aan het door de voorzitter benoemde scheidsgerecht, dat niet uit een arbiter hoeft te bestaan, overgelaten.

Maar belangrijker dan de procedurele kanten van het spoedgeschil voor de raad is welke geschillen voor zon arbitraal kort geding in aanmerking komen.

De (nieuwe) statuten van de raad geven een viertal gevallen aan, waarin een vordering als spoedgeschil kan worden behandeld, dat is een ‘open end’regeling want het vierde geval noemt alle (andere) onderwerpen, die naar het oordeel van de voorzitter voor een spoedbehandeling in aanmerking komen. Uitdrukkelijk wordt bepaald, dat vorderingen tot betaling en tot schadevergoeding daartoe ke behoren. Dat is dan ook in de praktijk de belangrijkste categorie zaken geweest, waarover kort gedinguitspraken van de raad zijn gepubliceerd. De eerste viel pas in november 1989, maar ook die van juni 1992 betrof een geldvordering.

Die laatste was de eis van een aannemer tot betaling van het restant van de aanneemsom voor de bouw van een garage annex werkplaats. Het opgeeiste bedrag was door de opdrachtgever van de bouw achtergehouden omdat hij vond dat schade groter was dan het restant van f.117000.

De schade was het gevolg van gebreken in de betonvloer, die in de garage/werkplaats was gelegd. De daaraan geconstateerde mankementen waren wel hersteld, maar in de eerste plaats leverde dat een vertraging van drie weken op, de vloer zag er echter ook na het herstel niet erg fraai uit. Er zaten nog hoogteverschillen van ruim 2 cm in en er was ook craquele-vorming.

De opdrachtgever vond dat de garage, ook na het herstel, f.50000 minder waard was; bovendien zei hij dat hij een verminderde omzet van f.65000 had gehad. Met nog een aantal kleine posten kwam hij zo tot een totale schade van f.145050 en dat betekende dat hij bij compensatie met het restant aanneemsom zelfs nog zon f.28000 van de aannemer te goed had.

De twee ingenieurs en de ene jurist van de raad, die dit geval voor ogen kregen, trapten natuurlijk niet in de opstelling van de schadeposten van de eigenaar van de garage. Een netto-inkomen van f.65000 in drie maanden ofwel f.260000 per jaar lijkt wat aan de hoge kant. De arbiters zeiden daarvan dat niet de gederfde omzet, maar alleen de daardoor gedelfde winst bepalend was voor de omvang van de schade.

Maar was de gederfde omzet die de garagehouder had opgegeven wel de echte omzet in drie weken? Dat lijkt weer wat weinig voor een beetje garage.

Het betekent immers, dat per week niet meer dan een klein autootje zou zijn verkocht als de garage wel open was geweest. Waarschijnlijk was voor de arbiters van doorslaggevende betekenis dat de omzetschade niet door de opdrachtgever was geleden, maar door de bv die de garage exploiteerde.

Maar ook het door de aannemer gevorderde bedrag was aan kritiek onderhevig. Een daarin voorkomende post van ruim f.6000 had betrekking op de aanleg van een cv in het pand, maar dat werd door de opdrachtgever betwist. Omdat de aannemer niet voldoende duidelijk kon maken hoe het daarmee zat, vonden de arbiters dat niet vaststond dat dit bedrag ook in een bodemprecedure zou worden toegewezen.

Om een beetje aan de veilige kant te blijven, beslisten de arbiters dat voldoende zeker was dat van de nog resterende f.100000 er in een bodemprocedure f.75000 van zou worden toegekend. Dat bedrag moest de opdrachtgever aan zijn wederpartij betalen; wel werd daar de voorwaarde aan verbonden dat de garage-eigenaar een bankgarantie voor dat bedrag zou afgeven. Zo zeker dat in een bodemprocedure het te betalen bedrag niet onder de f.75000 zou worden vastgesteld, waren zij kennelijk niet.

Die veroordeling tot betaling kon overigens alleen worden gegeven omdat zij volgens de drie arbiters aan drie voorwaarden had voldaan. De eerste was dat het voldoende aannemelijk was dat de vordering ook in een bodemprocedure zou worden toegewezen. Dat leek inderdaad heel aannemelijk. Over de tweede voorwaarde rept het vonnis met geen woord. De feiten en omstandigheden, die met zich brengen dat een spoedige voorziening is geboden, is bij geldvorderingen niet zo vaak aanwezig. Alleen als de betaling met spoed is geboden omdat anders de crediteur in financiele moeilijkheden komt, die hij met een bankkrediet niet kan oplossen, is er mijns inziens een reden om die voorwaarde vervuld te achten. Daarom is het des te merkwaardiger dat de raad over dat aspect niets in zijn motivering zegt.

De derde voorwaarde -een afweging van de belangen van beide partijen verzet zich niet tegen een dergelijke (spoed)–voorziening- slaat vooral op het risico, dat de partij die in het gelijk is gesteld bij de voorlopige voorziening, later niet in staat blijkt te zijn het hem toegewezen bedrag terug te betalen als achteraf blijkt, dat zijn vordering niet bestond. Tegen dat risico hadden de arbiters zich voldoende afgedekt door een bankgarantie te eisen.

BR 1992 p. 718 MR. MATH VERSTEGEN

Reageer op dit artikel