nieuws

VROM moet werkwijze voor bodemsanering verbeteren

bouwbreed Premium

Het ministerie van VROM dient meer inhoud te geven aan de sturende, voorwaardenscheppende en toezichthoudende taak bij de uitvoering van de bodemsanering. Vooralsnog weet VROM onvoldoende welke terreinen zijn vervuild en doet het ministerie te weinig aan inhoudelijke en financiele toetsing van saneringspoen. Daarbij valt het verhalen van saneringskosten op de vervuiler tegen.

Volgens het rapport ‘Bodemsanering’ van de Algemene Rekenkamer ging VROM er bij het opstellen van het saneringsbeleid voor de periode 1991-2000 van uit dat de veroorzaker of eigenaar een groot aantal vervuilde terreinen zelf zou laten schoonmaken. Van de geraamde kosten zouden derden ruim 85 procent in de vorm van saneringen in eigen beheer moeten opbrengen. Zolang de nieuwe saneringsparagraaf niet is ingevoerd beschikt de overheid niet over middelen om deze vorm van schoonmaak af te dwingen.

Daardoor bestaat er geen zekerheid over de uitvoering van deze werken in de genoemde planperiode.

VROM maakte inmiddels mel ding van wijzigingen in het voorstel maar ging niet in op de opmerkingen van de Rekenkamer over de gevolgen van de vertraging.

Vertraging De saneringsparagraaf moet deel uitmaken van de Wet bodembescherming (WBB) die weer de Interimwet bodemsanering (IBS) moet vervangen.

Invoering van de paragraaf liep inmiddels een vertraging van vier jaar op. Naar verwacht zal de Tweede Kamer het ontwerp in de loop van februari behandelen.

Met het saneringsbeleid wil VROM ruim 106000 terreinen die een ernstig gevaar voor de volksgezondheid of het milieu opleveren binnen 20 tot 25 jaar schoonmaken. Begin 1992 hadden de provincies slechts negen procent oftewel 9763 gevallen bij het ministerie aangemeld.

Sanering van de 106000 terreinen beliep volgens de berekening van 1989 zoals die in het Tienjaren-scenario bodemsanering staat f.48 miljard.

Daarvan zou f.6 miljard opgaan aan de schoonmaak van zon 5800 dringende gevallen oftewel f.1 miljoen per locatie.

Voor poen in voorbereiding of in uitvoering blijkt echter f.2,5 miljoen uitgetrokken.

Op grond daarvan wijst de Rekenkamer VROM op een aanzienlijk verschil tussen de (financiele) plangegevens uit het Informatiesysteem Bodemsanering (BOSA) en de ramingen uit het Tienjaren-scenario.

Geen goed beeld De Rekenkamer meent dat de informatiesystemen van het ministerie geen goed en ook geen betrouwbaar beeld geven van de voortgang van de bodemsanering op grond van de IBS. De minister zegde toe de informatievoorziening rond de uitvoering van de bodemsanering te zullen verbeteren. Primaire vastlegging van de gegevens gebeurt dan door de provincies De Rekenkamer concludeert dat voor ruim 81000 van de geschatte 106000 gevallen VROM slechts beperkt inzicht heeft in de wijze waarop provincies (actief) de vervuiling in kaart brengen. Het ministerie kan de sturende functie in deze sterk verbeteren door richtlijnen op te stellen. Daarnaast zou het departement een apart budget beschikbaar ke stellen waaruit de provincies de kosten voor inventarisatie zouden ke betalen. Volgens VROM zou het wetsvoorstel voor de nieuwe saneringsparagraaf voor de provincies een extra stimulans bevatten om inventarisaties uit te voeren. Door onduidelijkheid in de regelgeving had de accountantsdienst van het ministerie over 1991 geen zekerheid over de rechtmatige besteding van f.342 miljoen aan afgerekende bijdragen. Het gaat hierbij om ongeveer de helft van de tot 1992 afgerekende bedragen.

Verder bestaat er achterstand in het verhalen van saneringskosten op de vervuiler en levert de schatting van de opbrengst problemen op. De periode 1988-1991 zou aanvankelijk f.37 miljoen opleveren maar bleken tot begin 1992 niet meer dan f.4,6 miljoen te bedragen. Een registratie van de verjaringstermijn van zaken ontbreekt.

Geen werkinstructies Het ministerie blijkt ook niet te beschikken over werkinstructies voor de toets vooraf op ernstig gevaar aan de hand van saneringsprogrammas.

Bij de invoering van de voorgestelde nieuwe saneringsparagraaf in de WBB zal deze toets bij budgetgevallen komen te vervallen. De Rekenkamer dringt er op aan de aangepaste richtlijnen voor het vaststellen van ernstig gevaar voor de volksgezondheid of het milieu op korte termijn op te nemen in de Leidraad. Afhankelijk van de stand van de wetenschap dient het op elk tijdstip duidelijk te zijn hoe een ernstig gevaar voor de volksgezondheid of het milieu volgens de inzichten van het moment zou moeten worden vastgesteld. De minister stemt grotendeels in met het rapport van de Rekenkamer maar vindt dat de inhoud onvoldoende recht doet aan de prestatie die reeds binnen de bodemsanering is geleverd.

Volgens hem gaat het om een geheel nieuw onderwerp waarmee nog nauwelijks ervaring is opgedaan.

Reageer op dit artikel