nieuws

Potjeslatijn; genoegens bij het beleven van ziektebestrijding

bouwbreed Premium

De altijd cynische George Bernard Shaw zei eens: “Het leven is een ziekte en het enige verschil tussen de ene mens en de andere is het stadium dat zijn ziekte bereikt heeft.” Inderdaad zit de mens helaas zo in elkaar dat hij bij tijd en wijle overvallen kan worden door lastige kwalen. Hij is daaraan wel gewend, maar berust er niet in.

Deutsches Apotheken-Museum Apotheek met recepteertafel in rococo-stijl.

Deutsches Apotheken-Museum Bronzen renaissance-vijzels.

Deutsches Apotheken-Museum Glazen potten.

Deutsches Apotheken-Museum

Hij ijlt dan -ook al waarschuwde Molie`re dat bijna alle mensen sterven aan hun geneesmiddelen en ni’et aan hun ziekten- naar een apotheek en koopt zich zalven, tincturen en pillen, wrijft zich medicamenten op het lijf of slikt ze in en hoopt dat hij beter zal worden.

Apotheken zijn dan ook immer gezochte neringen geweest en een museum gewijd aan de historie ervan kan verzekerd zijn van vriendelijke belangstelling. Toch is er voor wie het Heidelberger ApothekenMuseum, dat is ondergebracht in het bekende Slot, binnentreedt enig doorzettingsvermogen nodig. Verscheidene oude kasten, boordevol potjes voor ‘Bals. Nervinum’ of ‘Natt. Carbon’ boeien maar matig en zelfs het ouderwetse laboratorium, ondergebracht in de voet van een zware toren, is slechts interessant voor wie met de alchemie goed vertrouwd is.

Alle anderen staan, door een zijden koord zorgvuldig op afstand gehouden, wat onwennig te kijken naar flessen en flacons, retorten, trechters, glazen bollen en kommen; raadselachtige instrumenten die staan opgesteld in het gewelf. Middeleeuwse apothekers die het alles zouden ke toelichten ontbreken.

De verzameling oude medicijnen daarentegen is ook voor de volslagen leek bijzonder interessant. Bezoekers die aan bepaalde kwalen lijden, raken bij het zien daarvan in opwinding. Men ziet ze voortschuifelen, in gepeins staren naar wat in de vitrines ligt, een blik werpen in oude kommen en… heel voorzichtig

paar notities maken.

Ook tal van farmaceuten zijn hier steeds te vinden en met kritische blik nemen zij kennis van oude recepten. Ze zijn onmiddellijk te herkennen doordat ze hun echtgenotes moeiteloos de Latijnse benamingen declameren. Een vreemde, boeiende verzameling curiosa daar in dat Heidelbergse museum.

Er liggen tanden van everzwijnen, eens een probaat middel tegen halsgezwellen en steken in de zij, naar men veronderstelde. Pioenwortelen hielpen, voor wie het geloven wilde, tegen vallende ziekte en de gestampte schalen van struisvogeleieren waren goed bij blaasaandoeningen.

Bijzonder aantrekkelijk in de ogen van de vaklieden zijn… uitwerpselen van de klipdas. Zij werden tot 1880 zonder dralen aanbevolen tegen epilepsie en hysterische aanvallen. Stil hebben we staan kijken naar een schaaltje gevuld met lieveheerbeestjes. Met de pootjes omhoog gestrekt in dodelijke verstijving lagen ze daar, door de tijd verkleurd tot licht roze. Fijn gestampt vormden ze een afdoend middel tegen kiespijn!

Dan zijn er kelderwormen, die er dood heel wat beter uitzien dan levend. Nog in de 18de eeuw werden ze al te graag ingenomen door allen die leden aan heesheid, slijmvorming en astma.

Schildpadden waren nuttige dieren. Gedroogd en tegen de buik gelegd hielpen ze zowel tegen blaasaandoeningen als tegen… de pest.

Bruine bundels, bestaande uit zeegras, zand en afval -zoals die bij een bepaalde windrichting wel eens aanspoelen op noordelijke stranden- werden lange tijd aangewend tegen hoofd- en huidkwalen.

Het doet allemaal wonderlijk aan en men begrijpt dat Oliver Wendell (1809-1894) tot de conclusie kwam: “Ik geloof stellig dat wanneer de hele materia medica op de bodem van de zee kon worden gedeponeerd, dit enkel gunstig voor de mensheid, maar heel ongunstig voor de vissen zou zijn.”

Voldoening geeft het te weten dat bepaalde delen van ons eigen corpus lange tijd een goede naam genoten. Menselijk vet, ‘axungia hominis’ genaamd, speelde van de 16de tot diep in de 18de eeuw een belangrijke rol. Het heette versterkend te zijn en de pijnen te verlichten, echter slechts dan wanneer het afkomstig was van lieden die een gewelddadige dood waren gestorven.

Behalve dit ‘arme-zondaarsvet’ waren menselijke nierstenen heilzaam; men wreef ze fijn en wendde ze aan tegen…

niersteen. Schedels kon men ook gebruiken; verpulverd en verwerkt tot pillen vormden ze een medicament dat werd toegepast in gevallen van epilepsie. Minder duidelijk is waarom er in het apothekersmuseum ook een schedel van een mummie te kijk ligt. Het lange, donkerbruine haar verraadt dat de schedel eens toebehoorde aan een vrouw. Misschien een apothekeres…

Het bijzonder sfeerrijke museum is rijk aan schone zaken:complete, magnifiek doortimmerde kloosterapotheken met prachtig porselein, koperen balansen en vijzels, schilderijen waaronder een Christus weergegeven als farmaceut, kruiden–trommels, amuletten, boeken, een ouderwetse gaper, reisapotheekjes alsook een geheel met zilver beslagen veldapotheek, zoals rijke krijgers die eens meetorsten wanneer zij ten strijde trokken.

Voor de belangstellende leek blijven intussen de vitrines het boeiendst. Hierin liggen uit het planten- en dierenrijk gebruikte medicamenten: beenderen, stoottanden, gedroogde vissen en vogels, koralen, insecten en slangen, die -al dan niet verbrand- tot poeder werden vermalen, kruiden, rabarberstelen, opium, myrrhe, Spaanse vlieg, aloe, arme-zondaarsvet, ja wat niet al… En dan natuurlijk de vele respecten.

Wanneer een lijder aan een kwaal, rondneuzend, het geluk heeft een mede-slachtoffer van diezelfde ziekte te ontmoeten, dan begint het gesprek en dan is het leven weer heerlijk!

Reageer op dit artikel