nieuws

Noodzaak bliksembeveiliging op objectieve wijze benaderd

bouwbreed Premium

Verbeterde inzichten in het gedrag van bliksem en bliksemstromen en de veranderingen bij de te beveiligen objecten hebben genoodzaakt tot vernieuwing van de norm voor bliksembeveiliging (NEN 1014) uit 1971. Het nieuwe normblad wordt gekenmerkt door een objectieve benadering bij vaststellen van de noodzaak een voorziening aan te leggen.

Om tot de nieuwe norm te komen is de oude norm (4e druk, 1971, met daarop drie aanvullingen), volledig herschreven.

Alle noodzakelijk regels en richtlijnen zijn opgenomen.

Bovendien is voor aanvullende informatie bijna de helft van het nieuwe normblad ingeruimd. Behalve het ontstaan van onweer worden onderwerpen beschreven als de effecten van een blikseminslag, de be scherming van de mens, te onderscheiden aardingssystemen en ‘last but not least’ de beveiliging van electronische apparatuur en onderdelen.

De norm is opgesteld door de Nederlandse normalisatiecommissie NEC81. De opstellers hebben daarbij de laatste technologische ontwikkelingen gevolgd. Zij hebben de norm toegespitst op situaties waaraan strenge eisen worden gesteld.

Nadeel van deze benadering had ke zijn dat de norm ‘te zwaar’ was geworden voor een gemiddelde situatie. Dit is onderkend en opgelost door het opnemen van nieuwe hoofdstukken over de noodzakelijkheid van bliksembeveiliging en het introduceren van een klasse-indeling.

Noodzakelijkheid

Met de objectieve benaderingsmethode voor het bepalen van de noodzakelijkheid van een bliksembeveiliging wordt tegemoet gekomen aan de behoefte vanuit de praktijk. De basis van de benaderingsmethode bestaat uit een kosten-batenanalyse. De kosten van de bliksembeveiliging moeten worden afgewogen tegen de kans van optreden van een blikseminslag en de daarbij behorende schadeverwachting.

De kans op een inslag is voor elk object te berekenen. De schadeverwachting wordt be paald door de constructie van het object en de

olgschade in materieel en immaterieel opzicht. Als nu de kosten van beveiliging lager zijn dan de uiteindelijke te verwachten schade, dan is aanleg van een bliksembeveiligingsinstallatie financieel verantwoord.

In de norm zijn vier klassen van bliksembeveiligingen opgenomen. De klassen bestrijken installaties van beperkte tot zeer uitgebreide omvang.

Kenmerkend voor de indeling is dat bij aanleg van nieuwe installaties de keuze voor een bepaalde omvang van de voorziening is te onderbouwen met een kosten-risico-analyse. Omdat in elke klasse een globale beveiligingsgraad wordt aangegeven is ook voor oude installaties bekend wat van een bepaalde beveiling mag worden verwacht.

In de norm is aangegeven hoe de voorzieningen moeten worden aangebracht. Dat heeft betrekking op onder meer de dakvangnetten die bij aanleg worden gebruikt. Er mag nu 25% van de maximale maaswijdte worden afgeweken mits de oppervlakte van de maas niet groter wordt. De vorm van de bliksemafleiderinstallaties zijn overigens niet wezenlijk veranderd.

Electronica

In de norm is veel aandacht geschonken aan bescherming van elektrische en electronische installaties op en in gebouwen en objecten. Zo wordt geadviseerd metalen delen op een gebouw die geleidend zijn verbonden met installaties binnen het gebouw, van een of meerdere vrijstaande opvangers te voorzien. Dit “om geen bliksemdeelstroom het gebouw binnen te halen” .

In geval toch metalen delen op een dakniveau moeten worden aangesloten mag dit niet meer door middel van een vonkenbrug. Beproevingen hebben uitgewezen dat het effect van de stroompuls na een vonkenbrug erger is dan van een normale directe bliksemstroom.

Bliksem boven Wezenland te Deventer.

Reageer op dit artikel